Begrippen Bedrijfsethiek
- Aporie
- Een vraagstuk waarbij er even goede argumenten zijn voor als tegen, zodat redeneren alleen geen uitweg biedt. Een aporie vraagt niet om een oplossing maar om een beslissing.
- Referent
- De waarde of instantie uit naam waarvan mensen handelen en die gezag geeft, zoals vroeger God. Volgens Legendre is efficiency de referent van het management.
- Dominium mundi
- Heerschappij over de wereld. Legendre gebruikt het voor het wereldwijde management dat universele geldigheid claimt en geen buitenkant laat bestaan.
- Dictatuur zonder dictator
- Legendres typering van het geglobaliseerde management: een macht zonder aanwijsbare heerser, die overal doordringt.
- Scientia civilis
- Burgerlijke, praktische wetenschap (wegbereider Roger Bacon) die vraagt hoe iets werkt en niet waarom. Praktische kennis geldt daarin vanzelf als moreel goed.
- Communicatio utilitatum
- Het delen van nut als kern van de scientia civilis; nut staat centraal.
- Coöptatie
- Het inlijven van andere denklogica's of kritiek zonder dat de eigen manier van denken verandert. Kritiek wordt zo onschadelijk en bruikbaar gemaakt (bijvoorbeeld CSR, duurzaamheid, woke).
- Parasitisme (management)
- Management leeft van de mensen die het eigenlijke werk doen, zonder dat iemand dat doorheeft.
- Verhulling (zachte dictatuur)
- De macht van management blijft onzichtbaar omdat managers vriendelijk zijn en niets opvallends doen: une dictature molle.
- Efficiency versus effectiviteit
- Efficiency is doelmatig omgaan met middelen; effectiviteit is het juiste doel bereiken. Het managementdenken laat efficiency vaak het hele denken over doelmatigheid overnemen.
- Utilitarisme
- Ethiek waarin een handeling goed is als zij het geluk (plezier) van zoveel mogelijk mensen vergroot. Een vorm van gevolgenethiek.
- Consequentialisme
- Verzamelnaam voor ethische theorieën die een handeling uitsluitend beoordelen op haar gevolgen.
- Rationele keuzetheorie
- De managementversie van het utilitaristische uitgangspunt: mensen kiezen de optie die hun belangen het best dient.
- Felicific calculus
- Benthams morele rekenkunde: geluk en leed meten en optellen om te bepalen welke handeling het beste is.
- Instrumenteel denken
- Waarden en handelingen zien als middelen voor iets anders (bij Bentham: meer geluk). Niets is op zichzelf goed of slecht.
- Deontologie
- Plichtethiek: een handeling is goed of slecht op zichzelf, los van de gevolgen. De term werd bedacht door Jeremy Bentham.
- Categorische imperatief
- Kants onvoorwaardelijke morele gebod, dat geldt ongeacht wat je wilt bereiken. Je moet volgens een principe handelen dat voor iedereen kan gelden en mensen altijd ook als doel behandelen.
- Hypothetische imperatief
- Een voorwaardelijk gebod: als je X wilt, moet je Y doen. Voor Kant geen echt moreel gebod.
- Autonomie
- Bij Kant: jezelf als redelijk wezen de morele wet opleggen, in plaats van je te laten sturen door neigingen of anderen.
- Deugdethiek
- Ethiek die het karakter en de morele houding centraal stelt: wat zou een goed mens doen? Gaat terug op Aristoteles.
- Hogere en lagere genoegens
- Mills correctie op Bentham: niet elk plezier is gelijk; geestelijke genoegens wegen zwaarder dan zintuiglijke.
- Begrensde rationaliteit
- Herbert Simon: beslissers hebben beperkte informatie, denkkracht en tijd en kiezen daarom een oplossing die goed genoeg is (satisficing).
- Morele verbeelding
- Patricia Werhane: het vermogen je in anderen in te leven en buiten je eigen kader nieuwe, moreel betere opties te zien.
- Différance
- Derrida's woord voor het idee dat betekenissen altijd verschillen en altijd worden uitgesteld; morele begrippen zijn daardoor glibberig.
- Sacrificium intellectus
- Offer van het verstand: bij morele beslissingen moet je soms beslissen waar het verstand geen uitsluitsel geeft.
- Klokkenluider
- Iemand die misstanden naar buiten brengt. Ten Bos ziet hem als belichaming van de aporie: hij schendt loyaliteit en weet niet zeker of hij goed handelt.
- Belanghebbende (stakeholder)
- Iedereen die door de activiteiten van een organisatie geraakt kan worden of die organisatie kan raken.
- Stakeholdertheorie
- Ed Freemans theorie dat organisaties rekening moeten houden met alle belanghebbenden en niet alleen met aandeelhouders; zowel prescriptief als descriptief bedoeld.
- Separation fallacy
- Freemans term voor de drogreden dat je economische doelen los kunt zien van sociale en ethische doelen.
- Redelijk pluralisme
- Freemans opvatting dat stakeholdertheorie verenigbaar is met een veelheid aan intellectuele en ethische benaderingen.
- Aandeelhouderskapitalisme
- Opvatting (Friedman) dat het bedrijf er in de eerste plaats is om de winst voor de eigenaren te maximaliseren binnen de spelregels.
- Stakeholderkapitalisme
- Opvatting dat bedrijven de belangen van alle belanghebbenden moeten dienen; gepropageerd door onder meer het World Economic Forum.
- Hyperagent
- Een zeer rijk individu (zoals Gates of Buffett) dat in zijn eentje kan bereiken waar anders een hele sociale beweging voor nodig is.
- Filantrokapitalisme
- Het idee dat rijke ondernemers via giften maatschappelijke problemen oplossen. Kritiek: het is ondemocratisch omdat geld de agenda bepaalt.
- Communicatieve rationaliteit
- Habermas: rationaliteit die ontstaat in een open gesprek waarin iedereen zijn gronden helder kan inbrengen.
- D-principe
- Habermas' discoursprincipe: deelnemers aan het gesprek zijn het eens over de regels die iedereen moet respecteren.
- Ideale gesprekssituatie
- Een gesprek zonder dwang en met gelijke kansen; bestaat zelden, maar deelnemers doen alsof het mogelijk is.
- Rijnlandmodel
- Model van ondernemingsbestuur met overleg tussen vele partijen (ook poldermodel), tegenover het Angelsaksische aandeelhoudersmodel.
- Dike en adikia
- Grieks voor rechtvaardigheid en onrechtvaardigheid. Dike versterkt de gemeenschap (polis), adikia verzwakt haar.
- Logos delotikos
- De verhelderende rede: door taal te gebruiken geef je een situatie het etiket rechtvaardig of onrechtvaardig.
- Krisis
- Grieks voor beslissing. Bij Aristoteles is rechtvaardigheid een beslissing die in taal moet worden uitgesproken.
- Pleonexia
- Meer willen hebben dan je toekomt (pleon: meer, echein: hebben); onverzadigbare hebzucht die rechtvaardigheid ondermijnt.
- Private vices, public benefits
- Mandevilles stelling dat ondeugden van individuen, zoals hebzucht, de samenleving welvaart opleveren.
- Organisatorische rechtvaardigheid
- De mate waarin mensen ervaren dat ze eerlijk behandeld worden door hun organisatie, leidinggevenden en collega's.
- Verdelende rechtvaardigheid
- Rechtvaardigheid van uitkomsten: staat de beloning in verhouding tot de inspanning? Hoort bij equity theory.
- Procedurele rechtvaardigheid
- Rechtvaardigheid van het proces: consistentie, onpartijdigheid, accuratesse en vertegenwoordiging.
- Interactionele rechtvaardigheid
- Rechtvaardigheid in de omgang, vooral met gezagsdragers: waarachtigheid, uitleg, respect en fatsoen.
- Equity theory
- Theorie dat mensen hun inzet aanpassen als de beloning niet in verhouding staat tot wat ze leveren.
- Het gelaat (Levinas)
- Het gezicht van de ander dat een oneindige eis tot goed doen uitstraalt; de ander telt zwaarder dan ik.
- De derde (Levinas)
- De andere ander naast degene voor wie ik verantwoordelijk ben; daardoor ontstaat rechtvaardigheid, die de oneindige ethische eis altijd compromitteert.
- Dikastocratie
- Een samenleving waarin rechters de baas zijn (dikastes: rechter).
- Leider versus leidinggevende
- Een leidinggevende kun je benoemen; een leider niet, want leiderschap hangt af van de toeschrijving door volgers.
- Attributiefenomeen
- Leiderschap bestaat doordat volgers bepaalde eigenschappen aan iemand toeschrijven: zonder volgers geen leiders.
- Esthetisering van leiderschap
- Leiderschap mooier maken dan het is, als iets wat we absoluut nodig hebben (vergelijk Carlyle).
- Grote-mannentheorie
- Opvatting dat geschiedenis wordt gemaakt door heldhaftige, mannelijke leiders (Carlyle).
- Ersatzreligie
- Leiderschapstaal met religieuze termen (visionair, charismatisch, missionair) die functioneert als vervangende religie.
- Hitlerprobleem
- De drogreden dat leiders per definitie goed zijn en slechte leiders dus geen echte leiders zijn, waarbij de conclusie de premisse bevestigt.
- Twee lichamen van de koning
- Kantorowicz: naast het natuurlijke lichaam heeft de koning een tweede lichaam, een juridische fictie die het gezag een permanent, persoonsoverstijgend karakter geeft.
- Subliem lichaam
- Žižek: het lichaam van de leider dat alleen voor volgers straalt; de toeschrijving van buitengewone kwaliteiten zoals charisma.
- Charisma
- Geen persoonlijke eigenschap maar een kwaliteit die volgers aan iemand toedichten.
- Maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO)
- Vrijwillig streven naar verbetering door economische, milieu- en sociale overwegingen geïntegreerd in de bedrijfsvoering op te nemen, in overleg met belanghebbenden.
- Corporate social responsiveness
- Tweede fase in de betekenisverschuiving van CSR: hoe goed reageert het bedrijf op maatschappelijke druk?
- Corporate social performance
- Fase waarin maatschappelijke prestaties meetbaar worden gemaakt, net als financiële.
- Value attunement
- Het idee dat managers zelf meer moeten nadenken over hun eigen waarden en normen; hoort bij de terugkeer naar corporate social responsibility.
- Corporate financial performance
- De cynische eindstand van CSR: maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen omdat het geld oplevert.
- Woke capitalism
- Carl Rhodes: bedrijven die progressieve morele standpunten innemen; volgens hem ondermijnt dit de democratie.
- Hyperglobalisme
- Peter Dicken: de opvatting dat globalisering een onontkenbaar feit is waarin naties en culturen hun betekenis verliezen. Ook antiglobalisten zijn hyperglobalisten.
- Scepticisme (globalisering)
- De opvatting dat globalisering overschat wordt: culturen, staten en burgerschap blijven belangrijk.
- Liberum commercium
- Vrijhandel; een liberaal ideaal dat teruggaat op Hugo de Groot (Mare Liberum).
- Cultureel relativisme
- De claim dat ethische praktijken per cultuur verschillen, zodat wat hier goed is elders slecht kan zijn.
- Hypernormen
- Universele normen, verankerd in religie, filosofie en cultuur, die lokale normen overstijgen, zoals respect voor menselijke waardigheid.
- Transmoderne ethiek
- Ibarra-Colado: ethiek gebaseerd op de bescherming van het leven, waarin bedrijven publieke entiteiten zijn die de samenleving dienen.
- Expeausition
- Nancy's woord (exposition en peau) voor het idee dat in de diverse wereld alles alles raakt.
- Weltoffenheit
- Heidegger: de openheid van de mens naar de wereld, waardoor hij in verschillende werelden kan leven.
- Sferen
- Sloterdijk: beschermende gemeenschappen zoals huizen, dorpen en families. Globalisering is een crisis van sferen.
- Schuimwereld
- Sloterdijks fase van globalisering waarin sferen als zeepbellen botsen en geen immuniteit meer bieden.
- Precariaat
- Bij Sloterdijk: de groeiende groep mensen die systeemrisico's lopen, zoals klimaatverandering en biodiversiteitsverlies.
- Duurzaamheid versus duurzame ontwikkeling
- Duurzaamheid is het ideaal of de toestand; duurzame ontwikkeling is de reeks maatregelen die het mogelijk moet maken.
- Triple bottom line
- Het idee (Elkington) dat een bedrijf op drie lijnen wordt beoordeeld: economisch, sociaal en ecologisch.
- Eco-efficiëntie
- Meer produceren met minder milieubelasting; een strategisch argument omdat het op termijn kosten verlaagt.
- Brundtlanddefinitie
- Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoeften van nu zonder toekomstige generaties te beperken. Kritiek: arrogant en gaat ervan uit dat huidige behoeften al bevredigd zijn.
- Natuurlijk contract
- Serres: naar analogie van Hobbes' sociale contract een contract met de natuur, gedragen door angst voor wat er met de planeet gebeurt; een fictie.
- Matters of fact
- Latour: harde, meetbare, onbetwistbare feiten met heldere grenzen, waarbij de wetenschapper neutraal is.
- Matters of concern
- Latour: omstreden, complexe kwesties zonder heldere grenzen die iedereen raken en de wetenschapper tot deelnemer maken.
- Antropoceen
- Tijdperk waarin de mens (anthropos) de nieuwe (kainos) bepalende factor op aarde is; term van Paul Crutzen.
- Holoceen
- Het huidige officiële geologische tijdvak, sinds de laatste ijstijd.
- Stratigrafie
- De studie van aardlagen waarmee geologen tijdvakken afbakenen; reden voor hun bezwaar tegen de term antropoceen.
- Kapitaloceen
- Alternatieve naam voor het antropoceen die het kapitalisme en niet de mens als soort als oorzaak aanwijst.
- Planetaire grenzen
- De wetenschappelijk vastgestelde grenzen aan hoe zwaar de mensheid de aarde mag belasten zonder het ecosysteem blijvend te beschadigen (negen volgens het Stockholm Resilience Centre).
- Veilige handelingsruimte
- De zone waarbinnen menselijke activiteit kan plaatsvinden zonder onherstelbare schade aan levensondersteunende systemen.
- Kantelpunt
- Punt waarna een systeem door een kleine verandering onomkeerbaar in een andere toestand terechtkomt; Ten Bos spreekt van zoneverandering.
- Grote acceleratie
- De vrijwel gelijktijdige, steile stijging van menselijke activiteit en milieudruk sinds ongeveer 1950.
- Pliocene wanhoop
- Begrip uit Holubs gedicht over Lucy: een gezonde zelfscepsis tegen menselijk narcisme; misschien moeten de echte mensen nog komen.
- Drempel
- Een niet-lineaire overgang in het functioneren van gekoppelde mens-omgevingssystemen; een feitelijke stand van zaken.
- Grens
- Een door mensen bepaalde waarde die aangeeft of we nog op veilige afstand van een drempel zitten; zit in ons hoofd.
- Earth System Science
- Wetenschap die ervan uitgaat dat mens en natuur systemisch verbonden zijn en niet los van elkaar te bestuderen.
- Collapsologisch denken
- Rekening houden met de mogelijkheid van ineenstorting van systemen; volgens het Stockholm Resilience Centre noodzakelijk.
- Achtergrondextinctie
- Het natuurlijke uitsterven van soorten zonder menselijke invloed, ongeveer 0,1 tot 1 procent per miljoen jaar.
- Zesde extinctie
- De huidige massale uitstervingsgolf door menselijk toedoen, 100 tot 10.000 keer sneller dan de achtergrondextinctie.
- Functionele extinctie
- Een soort speelt geen betekenisvolle rol meer in een voedselketen of heeft geen levensvatbare populatie meer, ook al bestaan er nog exemplaren.
- Genetische extinctie
- Het verdwijnen van genen uit een soort, waardoor de genetische diversiteit afneemt.
- Deontisch effect
- De zesde extinctie zadelt mensen op met een morele plicht, omdat de mens de oorzaak is.
- Grondnorm (Vollmer)
- Een norm die samen met een feit leidt tot een normatieve aanbeveling; normen en feiten werken als een vermenigvuldiging.
- Soglitude
- Barazon: de kunst om drempels te ontwaren en in de oncomfortabele drempelzone te leven.
- Antinatalisme
- De opvatting dat het moreel beter is geen kinderen te krijgen.
- Antropocentrisme als feit en wensbeeld
- Hamilton: dat de mens dominant is, is een feit; dat het zo hoort te zijn, is een te bestrijden wensbeeld.
- Doemsdagargument
- Wiskundig argument (Carter, Leslie) dat de kans groter is dan we denken dat we tot de laatste mensen behoren; tempert het optimisme.
- Antropodicee
- Naar analogie van de theodicee: is het bestaan van de mens te rechtvaardigen als hij zoveel ellende veroorzaakt?
- Biodicee
- De vraag of het leven zelf te rechtvaardigen is als er zoveel leed is (Benatar, Cioran).
- Antroponomie
- Het toekennen van collectieve zedelijkheid aan de mens: we kunnen of moeten doen alsof we de dingen beter kunnen maken.
- Waarschijnlijkheid
- Kennis in termen van kansen in plaats van zekerheid; opgekomen als correctie op theologische en cartesiaanse zekerheid (Hacking).
- Credence
- Winsberg: klimaatwaarschijnlijkheden zijn uitingen van geloof, omdat we geen toegang hebben tot objectieve kansen.
- Multifactorialiteit
- Het kenmerk van complexe systemen dat er zeer veel factoren tegelijk in het spel zijn, zoals bij het klimaat.
- Kalmeringstechnieken
- Ghosh: manieren waarop mensen rust zoeken, zoals denken dat het ver weg gebeurt of dat het alarmisme is.
- Absolute metafoor
- Blumenberg: een beeld voor een totaliteit die we niet kunnen denken; waarheid, en misschien klimaat, zijn zulke metaforen.
- Klimaatreligie
- Populistische afwijzing van klimaatwetenschap, gevoed door het feit dat zij in waarschijnlijkheden spreekt en geen zekerheid biedt.
- Grotallegorie
- Plato's beeld van geketende mensen die schaduwen voor de werkelijkheid houden en zich moeilijk laten bevrijden.
- Paideia
- Grieks voor opvoeding en vorming; bij Plato het weerbaar maken van mensen tegen illusie en verlokking.
- Kretenzerparadox
- De paradox van Epimenides de Kretenzer die zegt dat alle Kretenzers liegen; roept de vraag op of we heimelijk naar illusie verlangen.
- Informatie-infrastructuur
- Het geheel van betrouwbare informatievoorziening (wetenschap, journalistiek) waarzonder een democratie niet kan functioneren.
- Duistere verlichting
- Stroming (Land, Yarvin) die waarheidsaanspraken wantrouwt en loyaliteit aan mensen boven loyaliteit aan waarheid stelt.
- De kathedraal
- Term van de duistere verlichting voor de als eenvormig ervaren linkse consensus in politiek, media en wetenschap.
- Episteme en doxa
- Episteme is ware kennis, doxa is mening. Critici van experts zeggen dat die alleen doxa leveren.
- Crisis van de expertise
- Het dalende vertrouwen in experts, die gezien worden als technici of als leveranciers van slechts een mening.