Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

Begrippen Inleiding Marketing en Strategie

Marketing (Fahy)
Het leveren van waarde aan klanten, met winst. Zowel de klant als het bedrijf moet er beter van worden.
Marketing (AMA)
Het geheel van activiteiten, instellingen en processen om aanbiedingen te creëren, communiceren, leveren en uit te wisselen die waarde hebben voor klanten, partners en de samenleving.
Verkopen versus marketing
Verkopen vertrekt vanuit de behoeften van de verkoper, marketing vanuit de behoeften van de koper.
Gebruikswaarde
Value-in-use: de waarde die een product oplevert wanneer je het gebruikt (Adam Smith).
Ruilwaarde
Value-in-exchange: wat je in het ruilverkeer voor een product terugkrijgt, dus de prijs (Adam Smith).
Klantwaarde
Waargenomen voordelen (product, service, imago) min waargenomen opofferingen (financieel, tijd, energie, psychologisch).
Emotionele waarde
Vorm van klantwaarde waarbij het verschil tussen vergelijkbare producten alleen in de beleving van de consument zit, zoals gehechtheid aan een merk.
Relationele waarde
Vorm van klantwaarde die voortkomt uit de kwaliteit van de service en de relatie met de klant.
Marketing myopia
Marketingbijziendheid (Levitt): een bedrijf definieert zijn markt in termen van het product in plaats van de klantbehoefte, en loopt daardoor groeikansen mis.
Nieuwe marketing myopia
Waarschuwing van Smith e.a. (2010): een eenzijdige focus op de klant, een te nauwe definitie van klantbehoeften en blindheid voor de maatschappelijke context.
Stakeholder marketing
Waarde creëren en behouden via ruilrelaties met meerdere belanghebbenden, niet alleen met klanten.
Kano-model
Model dat producteigenschappen indeelt in basiseisen, prestatie-eigenschappen en verrassers, naar hun effect op tevredenheid.
Marketingmix
De vier P's (product, prijs, plaats, promotie) waarmee een bedrijf waarde vormgeeft; ze moeten op elkaar afgestemd en consistent zijn.
Strategie
Het patroon van keuzes dat een organisatie maakt over de toewijzing van middelen en haar relatie met de externe omgeving, om haar lange-termijndoelen te bereiken.
Operationele effectiviteit
Dezelfde activiteiten beter uitvoeren dan concurrenten. Volgens Porter noodzakelijk maar geen strategie, omdat het snel gekopieerd wordt.
Strategische positionering
Andere activiteiten uitvoeren dan concurrenten, of dezelfde activiteiten op een andere manier (Porter, 1996).
Trade-off
Een keuze waarbij meer van het een minder van het ander betekent; strategie vraagt ook te kiezen wat je niet doet.
Emergente strategie
Strategie die onderweg ontstaat uit initiatieven die niet vooraf gepland waren; past bij een complexe, veranderende omgeving.
Doelbewuste strategie
Het deel van de bedoelde strategie dat ook echt wordt uitgevoerd; top-down en vooraf vastgelegd.
Gerealiseerde strategie
De strategie die uiteindelijk werkelijk plaatsvindt: de doelbewuste plus de emergente strategie.
Corporate strategie
Strategie op ondernemingsniveau: in welke bedrijfstakken en markten is het bedrijf actief (de wat-vraag)?
Business strategie
Strategie op bedrijfsniveau: hoe concurreert het bedrijf binnen een markt (de hoe-vraag); bepaalt het concurrentievoordeel.
Kostenleiderschap
Generieke strategie waarbij een bedrijf de laagste kosten in de bedrijfstak nastreeft; lagere marges worden vaak goedgemaakt door hogere volumes.
Differentiatie
Generieke strategie waarbij een bedrijf iets unieks biedt waarvoor klanten meer willen betalen.
Focusstrategie
Generieke strategie waarbij een bedrijf zich met lage kosten of differentiatie richt op één afgebakende nichemarkt.
Concurrentievoordeel
Een voordeel ten opzichte van concurrenten in betalingsbereidheid, kosten of beide; altijd relatief.
Externe, interne en dynamische fit
Drie toetsen voor een goede strategie: past bij de omgeving, bij de eigen middelen en is toekomstbestendig.
Ideation
Domein van het strategy execution framework: identiteit, purpose en lange-termijnintentie verhelderen en communiceren.
Purpose
De reden waarom een bedrijf bestaat, de rol voorbij winst; geeft mensen een reden om zich in te zetten.
Missie
Verklaring waarom een organisatie bestaat, wat ze doet en voor wie; relatief stabiel en vormt de cultuur.
Visie
Ambitieuze beschrijving van wat de organisatie wil worden en hoe de toekomst eruitziet als de missie wordt vervuld; stuurt strategie en doelen.
Metric
Meetinstrument om de voortgang naar strategische doelen te volgen; je bereikt wat je meet.
Balanced scorecard
Meetsysteem van Kaplan en Norton met vier perspectieven: financieel, klant, interne processen, leren en groeien.
Intuitievalkuil
De fout dat managers op hun eigen gevoel vertrouwen over wat consumenten willen en hun eigen attitudes op anderen projecteren.
Cognitieve dissonantie
Spanning die ontstaat als verwachtingen en ervaringen met een product niet overeenkomen, vooral na een grote aankoop.
Klassieke conditionering
Leren door associatie: een neutrale stimulus roept na herhaalde koppeling aan een ongeconditioneerde stimulus dezelfde reactie op. Onvrijwillig, stimulus vóór gedrag.
Stimulusgeneralisatie
Op dezelfde manier reageren op stimuli die op elkaar lijken, zoals bij gelijkende verpakkingen.
Operante conditionering
Leren door de gevolgen van gedrag: beloning of het wegnemen van iets onprettigs maakt gedrag waarschijnlijker. Stimulus volgt op gedrag.
Positieve bekrachtiging
Gedrag leidt tot het toevoegen van een prettige stimulus, waardoor het gedrag toeneemt (spaaractie).
Negatieve bekrachtiging
Gedrag leidt tot het wegnemen van een onprettige stimulus, waardoor het gedrag toeneemt (zonnebrand tegen verbranding).
Vicarious learning
Leren door anderen te observeren, bijvoorbeeld een influencer die een product gebruikt.
Perceptie
Het proces waarmee we informatie selecteren, ordenen en interpreteren om een betekenisvol beeld van de wereld te vormen.
Theory of Reasoned Action
Model van Fishbein en Ajzen: attitude en subjectieve norm bepalen de gedragsintentie, die tot gedrag leidt.
Subjectieve norm
Wat iemand denkt dat belangrijke anderen van hem verwachten, gewogen naar de motivatie om daaraan te voldoen.
Attitude
Stabiele, actieve beoordeling van een object of gedrag, gevormd door cognitie en affect.
Elaboration Likelihood Model
Model met twee routes van informatieverwerking: de centrale route (bewust, veel moeite) en de perifere route (automatisch, emotioneel).
Decoy-effect
Een extra, minder aantrekkelijke optie die niemand kiest maar een andere optie aantrekkelijker laat lijken (relativiteit).
Priming
Het activeren van een concept zodat het later gedrag of oordelen beïnvloedt.
Verliesaversie
Verliezen wegen zwaarder dan even grote winsten; leidt tot het default-effect en het endowment-effect.
Endowment-effect
We waarderen iets hoger zodra het van ons is.
Segmentatie
Consumenten in een heterogene markt indelen in kleinere, homogene groepen die vergelijkbaar reageren op marketing.
Targeting
De keuze welke segmenten een bedrijf gaat bedienen.
Positionering
Het aanbod en imago zo ontwerpen dat ze een duidelijke en gewaardeerde plaats innemen in het hoofd van de consument.
Beschrijvend profiel
Segmentatiebasis op demografische, sociaal-economische en geografische kenmerken, zoals leeftijd, inkomen en woonplaats.
Psychografische segmentatie
Segmentatie op levensstijl en persoonlijkheid.
Levensstijl (AIO)
Wordt uitgedrukt in de activiteiten, interesses en opinies van een persoon.
Gezochte voordelen
Gedragsvariabele voor segmentatie: welk voordeel zoekt de klant in het product (bijvoorbeeld gevoelige tanden bij Sensodyne)?
Buyer persona
Een realistische, precieze omschrijving van een hypothetische ideale klant met doelen, motivaties, frustraties en kenmerken.
Geconcentreerde marketing
Doelgroepstrategie met één marketingmix voor één nichemarkt; past bij bedrijven met weinig middelen.
Gedifferentieerde marketing
Doelgroepstrategie met aparte marketingmixen voor verschillende segmenten.
Perceptuele kaart
Kaart die merken op twee door consumenten waargenomen dimensies plaatst; toont gaten in de markt en concurrenten.
Points of parity
Associaties die een merk deelt met de categorie of met concurrenten.
Points of difference
Sterke, gunstige en unieke merkassociaties die het merk onderscheiden.
Kernproduct
Het basisvoordeel dat de klant eigenlijk koopt; vereiste om op de markt te zijn.
Werkelijk product
De concrete elementen van het product: kwaliteit, kenmerken, ontwerp, merknaam en verpakking.
Uitgebreid product
Extra's zoals levering, installatie, garantie en service; de belangrijkste bron van differentiatie.
Vergankelijkheid
Kenmerk van diensten: ze kunnen niet op voorraad worden genomen.
Merk
Naam, term, teken, symbool of ontwerp dat de producten van een verkoper identificeert en onderscheidt van die van concurrenten.
CBBE
Customer based brand equity: het differentiële effect dat merkkennis heeft op de reactie van consumenten op de marketing van het merk.
Salience
Merkbekendheid, de basis van de CBBE-piramide: merkherinnering en merkherkenning.
Merkherinnering
Het merk zelf uit het geheugen ophalen bij een aanwijzing zoals een categorie.
Merkherkenning
Bevestigen dat je het merk eerder zag wanneer het merk zelf als signaal wordt getoond; ontstaat door herhaling.
Mere exposure-effect
Bekende dingen worden positiever gewaardeerd; verklaard met fluency (vloeiende verwerking voelt prettig).
Resonance
Hoogste niveau van de CBBE-piramide: intense, actieve loyaliteit met gedrags- en attitudinale loyaliteit, gemeenschapsgevoel en actieve betrokkenheid.
Merkarchitectuur
Bepalen welke merkelementen op nieuwe en bestaande producten worden toegepast.
Branded house
Merkarchitectuur met één hoofdmerk voor alle producten (familiemerk), zoals Virgin.
House of brands
Merkarchitectuur met losse, individuele merken zonder zichtbare band, zoals bij Procter & Gamble.
Cash cow
Product met een hoog relatief marktaandeel in een markt met lage groei (BCG); levert geld op.
Innovatie
De commerciële of industriële toepassing van iets nieuws (Schumpeter).
Uitvinding
Het vastleggen van een idee in een nieuw object of een nieuwe dienst; nog geen innovatie zolang het niet commercieel wordt toegepast.
Incrementele innovatie
Relatief kleine aanpassing van een bestaand product, proces of dienst; weinig risico, weinig groei.
Radicale innovatie
Een compleet nieuw product, proces of dienst; veel groeipotentieel maar hoge kans op falen.
Dominant design
Het ontwerp dat de standaard wordt in een bedrijfstak; daarna verschuift de focus naar procesinnovatie.
Procesinnovatie
Een nieuwe of sterk verbeterde manier van produceren of leveren.
Disruptieve innovatie
Goedkoper product met andere kenmerken dat begint in een nieuwe of low-end markt en na verbetering de hoofdmarkt verovert.
Innovator's dilemma
Succesvolle bedrijven richten zich op betere producten voor hun huidige klanten en missen daardoor disruptieve innovaties aan de onderkant van de markt.
Ambidextrie
Het vermogen om tegelijk te exploreren (nieuw zoeken) en te exploiteren (bestaand benutten); structureel, temporeel of contextueel.
Tacit kennis
Kennis gebaseerd op intuïtie en ervaring die moeilijk op te schrijven en over te dragen is.
Lead users
Actieve gebruikers met een sterke, vroege behoefte die vaak zelf oplossingen en innovaties bedenken.
Need pull
Innovatie die ontstaat vanuit een behoefte in de markt in plaats van vanuit de technologie.
The chasm
De kloof tussen early adopters en early majority in de diffusiecurve, waar veel innovaties stranden (Moore).
Business ecosystem
Een groep organisaties die van elkaar afhankelijk zijn om waarde te creëren.
Institutionele omgeving
De omgeving waarin dezelfde instituties (regels, gebruiken, standaarden) gelden, meestal een land.
Complementen
Aanbiedingen die de klant stroomafwaarts naast het product van de focale partij nodig heeft om het te gebruiken.
Componenten
Output van leveranciers stroomopwaarts die de focale partij in haar eigen product verwerkt.
PESTLE
Analyse van de macro-omgeving op politieke, economische, sociaal-culturele, technologische, juridische en ecologische factoren.
Dynamiek
De snelheid of grilligheid van veranderingen in de omgeving.
Wanorde
De kracht of ingrijpendheid van veranderingen in de omgeving.
Scenario
Een speculatie over de toekomst die breekt met het verleden; geen voorspelling.
Vijfkrachtenmodel
Model van Porter dat de winstgevendheid van een bedrijfstak verklaart uit rivaliteit, toetreders, leveranciers, afnemers en substituten.
Toetredingsbarrières
Factoren die nieuwkomers tegenhouden, zoals schaalvoordelen, overstapkosten, netwerkeffecten en overheidsregels.
Overstapkosten
Kosten, moeite of risico van het wisselen naar een andere aanbieder.
Concurrentieanalyse
Het proces waarmee een bedrijf zijn bedrijfstak definieert, concurrenten identificeert, hun sterktes en zwaktes bepaalt en hun zetten voorspelt.
Strategische groep
Groep bedrijven in een bedrijfstak die vergelijkbare strategieën volgt en minstens twee concurrentiekenmerken deelt.
Mobiliteitsbarrières
De kosten om van de ene strategische groep naar een andere te bewegen; vaak asymmetrisch.
Marktgemeenschappelijkheid
De mate waarin een concurrent aanwezig is in de markten die hij deelt met het focale bedrijf (Chen).
Middelengelijkenis
De mate waarin een concurrent strategische middelen heeft die qua type en hoeveelheid vergelijkbaar zijn (Chen).
AMC-raamwerk
Drijvers van concurrentiegedrag: awareness, motivation en capability.
Convergentie
Het vervagen van de grenzen tussen bedrijfstakken, zoals bij de zelfrijdende auto.
Key success factors
Factoren in de marktomgeving die bepalen of een bedrijf kan overleven en floreren (Grant).
Value curve
Grafiek van de factoren waarop een bedrijfstak concurreert en hoeveel kopers op elke factor krijgen.
Value innovation
De concurrentie irrelevant maken door een sprong in waarde voor kopers en bedrijf (Kim en Mauborgne).
Blue ocean
Een nieuwe, onbetwiste marktruimte waar de afweging tussen waarde en kosten wordt doorbroken.
Profit pool
De totale winst in de keten van een bedrijfstak, verdeeld over de activiteiten.
Waardeketen
Indeling van een bedrijf in primaire en ondersteunende activiteiten die waarde toevoegen (Porter).
Resources
De tastbare, ontastbare en menselijke inputs die een bedrijf gebruikt om goederen of diensten te maken.
Capabilities
De vaardigheden van een bedrijf om zijn middelen in te zetten.
Resource-based view
Stroming die stelt dat middelen en capaciteiten de belangrijkste basis zijn voor duurzaam concurrentievoordeel (Wernerfelt, Barney).
VRINE
Toets of een middel waardevol, zeldzaam, niet te imiteren, niet te vervangen en benutbaar is.
Kernbeperkingen
Core rigidities: kerncompetenties die bij verandering het leren van nieuwe dingen belemmeren (Leonard-Barton).
SWOT
Analyse van interne sterktes en zwaktes en externe kansen en bedreigingen.
TOWS-matrix
Matrix die sterktes en zwaktes koppelt aan kansen en bedreigingen tot S-O, S-T, W-O en W-T strategieën.
Businessmodel
Hoe een bedrijf waarde creëert en levert en de betalingen omzet in winst; waardepropositie plus operationeel model.
Waardepropositie
De waarde die een bedrijf levert aan zijn klanten.
Business model canvas
Model met negen bouwstenen om een businessmodel te beschrijven of te herontwerpen.
Business model innovation
Vernieuwing van het businessmodel via inhoud (nieuwe activiteiten), structuur (nieuwe koppelingen) of governance (wie voert uit).
Shareholder view
De opvatting dat een bedrijf er vooral is om de winst voor aandeelhouders te maximaliseren (Friedman).
Stakeholder view
De opvatting dat een bedrijf verplichtingen heeft tegenover alle belanghebbenden (Freeman).
Maatschappelijk verantwoord ondernemen
Activiteiten zo inrichten dat het bedrijf bijdraagt aan het welzijn van mens en milieu, verder dan de wet vereist.
Triple bottom line
Prestaties meten op people, planet en profit.
Shared value
Maatschappelijke problemen oplossen op een manier die ook economische waarde voor het bedrijf oplevert (Porter en Kramer).
Ethisch relativisme
De opvatting dat wat ethisch is afhangt van de lokale cultuur en gebruiken.
Distinctive assets
Vaste, onderscheidende herkenningspunten van een merk zoals kleur, logo, vorm en zegel.
Mental availability
De kans dat een merk in het hoofd opkomt op het moment van kopen.
Physical availability
De mate waarin een merk fysiek beschikbaar en vindbaar is voor shoppers.
Penetratie
Het percentage huishoudens dat een merk in een periode minstens één keer koopt; volgens Sharp de belangrijkste bron van groei.
Drip-strategie
Continu op schaal adverteren zodat het merk steeds in het geheugen wordt ververst.
Power SKU
Een productvariant die een groot deel van de omzet maakt en waarop de inspanningen worden geconcentreerd.
Diffusiecurve
Verspreiding van een innovatie over innovators (2,5%), early adopters (13,5%), early majority (34%), late majority (34%) en laggards (16%).
Industrielevenscyclus
De fasen introductie, groei, volwassenheid en neergang die een bedrijfstak doorloopt, elk met eigen kenmerken van concurrentie en klanten.
Brand relationship spectrum
Continuüm van branded house via sub-branding en endorsement naar house of brands.
Archetypen van Jung
Universele menselijke motieven in het collectieve onbewuste, zoals de verzorger en de minnaar, die JDE gebruikt voor merkpositionering.