Begrippen Inleiding Marketing en Strategie
- Marketing (Fahy)
- Het leveren van waarde aan klanten, met winst. Zowel de klant als het bedrijf moet er beter van worden.
- Marketing (AMA)
- Het geheel van activiteiten, instellingen en processen om aanbiedingen te creëren, communiceren, leveren en uit te wisselen die waarde hebben voor klanten, partners en de samenleving.
- Verkopen versus marketing
- Verkopen vertrekt vanuit de behoeften van de verkoper, marketing vanuit de behoeften van de koper.
- Gebruikswaarde
- Value-in-use: de waarde die een product oplevert wanneer je het gebruikt (Adam Smith).
- Ruilwaarde
- Value-in-exchange: wat je in het ruilverkeer voor een product terugkrijgt, dus de prijs (Adam Smith).
- Klantwaarde
- Waargenomen voordelen (product, service, imago) min waargenomen opofferingen (financieel, tijd, energie, psychologisch).
- Emotionele waarde
- Vorm van klantwaarde waarbij het verschil tussen vergelijkbare producten alleen in de beleving van de consument zit, zoals gehechtheid aan een merk.
- Relationele waarde
- Vorm van klantwaarde die voortkomt uit de kwaliteit van de service en de relatie met de klant.
- Marketing myopia
- Marketingbijziendheid (Levitt): een bedrijf definieert zijn markt in termen van het product in plaats van de klantbehoefte, en loopt daardoor groeikansen mis.
- Nieuwe marketing myopia
- Waarschuwing van Smith e.a. (2010): een eenzijdige focus op de klant, een te nauwe definitie van klantbehoeften en blindheid voor de maatschappelijke context.
- Stakeholder marketing
- Waarde creëren en behouden via ruilrelaties met meerdere belanghebbenden, niet alleen met klanten.
- Kano-model
- Model dat producteigenschappen indeelt in basiseisen, prestatie-eigenschappen en verrassers, naar hun effect op tevredenheid.
- Marketingmix
- De vier P's (product, prijs, plaats, promotie) waarmee een bedrijf waarde vormgeeft; ze moeten op elkaar afgestemd en consistent zijn.
- Strategie
- Het patroon van keuzes dat een organisatie maakt over de toewijzing van middelen en haar relatie met de externe omgeving, om haar lange-termijndoelen te bereiken.
- Operationele effectiviteit
- Dezelfde activiteiten beter uitvoeren dan concurrenten. Volgens Porter noodzakelijk maar geen strategie, omdat het snel gekopieerd wordt.
- Strategische positionering
- Andere activiteiten uitvoeren dan concurrenten, of dezelfde activiteiten op een andere manier (Porter, 1996).
- Trade-off
- Een keuze waarbij meer van het een minder van het ander betekent; strategie vraagt ook te kiezen wat je niet doet.
- Emergente strategie
- Strategie die onderweg ontstaat uit initiatieven die niet vooraf gepland waren; past bij een complexe, veranderende omgeving.
- Doelbewuste strategie
- Het deel van de bedoelde strategie dat ook echt wordt uitgevoerd; top-down en vooraf vastgelegd.
- Gerealiseerde strategie
- De strategie die uiteindelijk werkelijk plaatsvindt: de doelbewuste plus de emergente strategie.
- Corporate strategie
- Strategie op ondernemingsniveau: in welke bedrijfstakken en markten is het bedrijf actief (de wat-vraag)?
- Business strategie
- Strategie op bedrijfsniveau: hoe concurreert het bedrijf binnen een markt (de hoe-vraag); bepaalt het concurrentievoordeel.
- Kostenleiderschap
- Generieke strategie waarbij een bedrijf de laagste kosten in de bedrijfstak nastreeft; lagere marges worden vaak goedgemaakt door hogere volumes.
- Differentiatie
- Generieke strategie waarbij een bedrijf iets unieks biedt waarvoor klanten meer willen betalen.
- Focusstrategie
- Generieke strategie waarbij een bedrijf zich met lage kosten of differentiatie richt op één afgebakende nichemarkt.
- Concurrentievoordeel
- Een voordeel ten opzichte van concurrenten in betalingsbereidheid, kosten of beide; altijd relatief.
- Externe, interne en dynamische fit
- Drie toetsen voor een goede strategie: past bij de omgeving, bij de eigen middelen en is toekomstbestendig.
- Ideation
- Domein van het strategy execution framework: identiteit, purpose en lange-termijnintentie verhelderen en communiceren.
- Purpose
- De reden waarom een bedrijf bestaat, de rol voorbij winst; geeft mensen een reden om zich in te zetten.
- Missie
- Verklaring waarom een organisatie bestaat, wat ze doet en voor wie; relatief stabiel en vormt de cultuur.
- Visie
- Ambitieuze beschrijving van wat de organisatie wil worden en hoe de toekomst eruitziet als de missie wordt vervuld; stuurt strategie en doelen.
- Metric
- Meetinstrument om de voortgang naar strategische doelen te volgen; je bereikt wat je meet.
- Balanced scorecard
- Meetsysteem van Kaplan en Norton met vier perspectieven: financieel, klant, interne processen, leren en groeien.
- Intuitievalkuil
- De fout dat managers op hun eigen gevoel vertrouwen over wat consumenten willen en hun eigen attitudes op anderen projecteren.
- Cognitieve dissonantie
- Spanning die ontstaat als verwachtingen en ervaringen met een product niet overeenkomen, vooral na een grote aankoop.
- Klassieke conditionering
- Leren door associatie: een neutrale stimulus roept na herhaalde koppeling aan een ongeconditioneerde stimulus dezelfde reactie op. Onvrijwillig, stimulus vóór gedrag.
- Stimulusgeneralisatie
- Op dezelfde manier reageren op stimuli die op elkaar lijken, zoals bij gelijkende verpakkingen.
- Operante conditionering
- Leren door de gevolgen van gedrag: beloning of het wegnemen van iets onprettigs maakt gedrag waarschijnlijker. Stimulus volgt op gedrag.
- Positieve bekrachtiging
- Gedrag leidt tot het toevoegen van een prettige stimulus, waardoor het gedrag toeneemt (spaaractie).
- Negatieve bekrachtiging
- Gedrag leidt tot het wegnemen van een onprettige stimulus, waardoor het gedrag toeneemt (zonnebrand tegen verbranding).
- Vicarious learning
- Leren door anderen te observeren, bijvoorbeeld een influencer die een product gebruikt.
- Perceptie
- Het proces waarmee we informatie selecteren, ordenen en interpreteren om een betekenisvol beeld van de wereld te vormen.
- Theory of Reasoned Action
- Model van Fishbein en Ajzen: attitude en subjectieve norm bepalen de gedragsintentie, die tot gedrag leidt.
- Subjectieve norm
- Wat iemand denkt dat belangrijke anderen van hem verwachten, gewogen naar de motivatie om daaraan te voldoen.
- Attitude
- Stabiele, actieve beoordeling van een object of gedrag, gevormd door cognitie en affect.
- Elaboration Likelihood Model
- Model met twee routes van informatieverwerking: de centrale route (bewust, veel moeite) en de perifere route (automatisch, emotioneel).
- Decoy-effect
- Een extra, minder aantrekkelijke optie die niemand kiest maar een andere optie aantrekkelijker laat lijken (relativiteit).
- Priming
- Het activeren van een concept zodat het later gedrag of oordelen beïnvloedt.
- Verliesaversie
- Verliezen wegen zwaarder dan even grote winsten; leidt tot het default-effect en het endowment-effect.
- Endowment-effect
- We waarderen iets hoger zodra het van ons is.
- Segmentatie
- Consumenten in een heterogene markt indelen in kleinere, homogene groepen die vergelijkbaar reageren op marketing.
- Targeting
- De keuze welke segmenten een bedrijf gaat bedienen.
- Positionering
- Het aanbod en imago zo ontwerpen dat ze een duidelijke en gewaardeerde plaats innemen in het hoofd van de consument.
- Beschrijvend profiel
- Segmentatiebasis op demografische, sociaal-economische en geografische kenmerken, zoals leeftijd, inkomen en woonplaats.
- Psychografische segmentatie
- Segmentatie op levensstijl en persoonlijkheid.
- Levensstijl (AIO)
- Wordt uitgedrukt in de activiteiten, interesses en opinies van een persoon.
- Gezochte voordelen
- Gedragsvariabele voor segmentatie: welk voordeel zoekt de klant in het product (bijvoorbeeld gevoelige tanden bij Sensodyne)?
- Buyer persona
- Een realistische, precieze omschrijving van een hypothetische ideale klant met doelen, motivaties, frustraties en kenmerken.
- Geconcentreerde marketing
- Doelgroepstrategie met één marketingmix voor één nichemarkt; past bij bedrijven met weinig middelen.
- Gedifferentieerde marketing
- Doelgroepstrategie met aparte marketingmixen voor verschillende segmenten.
- Perceptuele kaart
- Kaart die merken op twee door consumenten waargenomen dimensies plaatst; toont gaten in de markt en concurrenten.
- Points of parity
- Associaties die een merk deelt met de categorie of met concurrenten.
- Points of difference
- Sterke, gunstige en unieke merkassociaties die het merk onderscheiden.
- Kernproduct
- Het basisvoordeel dat de klant eigenlijk koopt; vereiste om op de markt te zijn.
- Werkelijk product
- De concrete elementen van het product: kwaliteit, kenmerken, ontwerp, merknaam en verpakking.
- Uitgebreid product
- Extra's zoals levering, installatie, garantie en service; de belangrijkste bron van differentiatie.
- Vergankelijkheid
- Kenmerk van diensten: ze kunnen niet op voorraad worden genomen.
- Merk
- Naam, term, teken, symbool of ontwerp dat de producten van een verkoper identificeert en onderscheidt van die van concurrenten.
- CBBE
- Customer based brand equity: het differentiële effect dat merkkennis heeft op de reactie van consumenten op de marketing van het merk.
- Salience
- Merkbekendheid, de basis van de CBBE-piramide: merkherinnering en merkherkenning.
- Merkherinnering
- Het merk zelf uit het geheugen ophalen bij een aanwijzing zoals een categorie.
- Merkherkenning
- Bevestigen dat je het merk eerder zag wanneer het merk zelf als signaal wordt getoond; ontstaat door herhaling.
- Mere exposure-effect
- Bekende dingen worden positiever gewaardeerd; verklaard met fluency (vloeiende verwerking voelt prettig).
- Resonance
- Hoogste niveau van de CBBE-piramide: intense, actieve loyaliteit met gedrags- en attitudinale loyaliteit, gemeenschapsgevoel en actieve betrokkenheid.
- Merkarchitectuur
- Bepalen welke merkelementen op nieuwe en bestaande producten worden toegepast.
- Branded house
- Merkarchitectuur met één hoofdmerk voor alle producten (familiemerk), zoals Virgin.
- House of brands
- Merkarchitectuur met losse, individuele merken zonder zichtbare band, zoals bij Procter & Gamble.
- Cash cow
- Product met een hoog relatief marktaandeel in een markt met lage groei (BCG); levert geld op.
- Innovatie
- De commerciële of industriële toepassing van iets nieuws (Schumpeter).
- Uitvinding
- Het vastleggen van een idee in een nieuw object of een nieuwe dienst; nog geen innovatie zolang het niet commercieel wordt toegepast.
- Incrementele innovatie
- Relatief kleine aanpassing van een bestaand product, proces of dienst; weinig risico, weinig groei.
- Radicale innovatie
- Een compleet nieuw product, proces of dienst; veel groeipotentieel maar hoge kans op falen.
- Dominant design
- Het ontwerp dat de standaard wordt in een bedrijfstak; daarna verschuift de focus naar procesinnovatie.
- Procesinnovatie
- Een nieuwe of sterk verbeterde manier van produceren of leveren.
- Disruptieve innovatie
- Goedkoper product met andere kenmerken dat begint in een nieuwe of low-end markt en na verbetering de hoofdmarkt verovert.
- Innovator's dilemma
- Succesvolle bedrijven richten zich op betere producten voor hun huidige klanten en missen daardoor disruptieve innovaties aan de onderkant van de markt.
- Ambidextrie
- Het vermogen om tegelijk te exploreren (nieuw zoeken) en te exploiteren (bestaand benutten); structureel, temporeel of contextueel.
- Tacit kennis
- Kennis gebaseerd op intuïtie en ervaring die moeilijk op te schrijven en over te dragen is.
- Lead users
- Actieve gebruikers met een sterke, vroege behoefte die vaak zelf oplossingen en innovaties bedenken.
- Need pull
- Innovatie die ontstaat vanuit een behoefte in de markt in plaats van vanuit de technologie.
- The chasm
- De kloof tussen early adopters en early majority in de diffusiecurve, waar veel innovaties stranden (Moore).
- Business ecosystem
- Een groep organisaties die van elkaar afhankelijk zijn om waarde te creëren.
- Institutionele omgeving
- De omgeving waarin dezelfde instituties (regels, gebruiken, standaarden) gelden, meestal een land.
- Complementen
- Aanbiedingen die de klant stroomafwaarts naast het product van de focale partij nodig heeft om het te gebruiken.
- Componenten
- Output van leveranciers stroomopwaarts die de focale partij in haar eigen product verwerkt.
- PESTLE
- Analyse van de macro-omgeving op politieke, economische, sociaal-culturele, technologische, juridische en ecologische factoren.
- Dynamiek
- De snelheid of grilligheid van veranderingen in de omgeving.
- Wanorde
- De kracht of ingrijpendheid van veranderingen in de omgeving.
- Scenario
- Een speculatie over de toekomst die breekt met het verleden; geen voorspelling.
- Vijfkrachtenmodel
- Model van Porter dat de winstgevendheid van een bedrijfstak verklaart uit rivaliteit, toetreders, leveranciers, afnemers en substituten.
- Toetredingsbarrières
- Factoren die nieuwkomers tegenhouden, zoals schaalvoordelen, overstapkosten, netwerkeffecten en overheidsregels.
- Overstapkosten
- Kosten, moeite of risico van het wisselen naar een andere aanbieder.
- Concurrentieanalyse
- Het proces waarmee een bedrijf zijn bedrijfstak definieert, concurrenten identificeert, hun sterktes en zwaktes bepaalt en hun zetten voorspelt.
- Strategische groep
- Groep bedrijven in een bedrijfstak die vergelijkbare strategieën volgt en minstens twee concurrentiekenmerken deelt.
- Mobiliteitsbarrières
- De kosten om van de ene strategische groep naar een andere te bewegen; vaak asymmetrisch.
- Marktgemeenschappelijkheid
- De mate waarin een concurrent aanwezig is in de markten die hij deelt met het focale bedrijf (Chen).
- Middelengelijkenis
- De mate waarin een concurrent strategische middelen heeft die qua type en hoeveelheid vergelijkbaar zijn (Chen).
- AMC-raamwerk
- Drijvers van concurrentiegedrag: awareness, motivation en capability.
- Convergentie
- Het vervagen van de grenzen tussen bedrijfstakken, zoals bij de zelfrijdende auto.
- Key success factors
- Factoren in de marktomgeving die bepalen of een bedrijf kan overleven en floreren (Grant).
- Value curve
- Grafiek van de factoren waarop een bedrijfstak concurreert en hoeveel kopers op elke factor krijgen.
- Value innovation
- De concurrentie irrelevant maken door een sprong in waarde voor kopers en bedrijf (Kim en Mauborgne).
- Blue ocean
- Een nieuwe, onbetwiste marktruimte waar de afweging tussen waarde en kosten wordt doorbroken.
- Profit pool
- De totale winst in de keten van een bedrijfstak, verdeeld over de activiteiten.
- Waardeketen
- Indeling van een bedrijf in primaire en ondersteunende activiteiten die waarde toevoegen (Porter).
- Resources
- De tastbare, ontastbare en menselijke inputs die een bedrijf gebruikt om goederen of diensten te maken.
- Capabilities
- De vaardigheden van een bedrijf om zijn middelen in te zetten.
- Resource-based view
- Stroming die stelt dat middelen en capaciteiten de belangrijkste basis zijn voor duurzaam concurrentievoordeel (Wernerfelt, Barney).
- VRINE
- Toets of een middel waardevol, zeldzaam, niet te imiteren, niet te vervangen en benutbaar is.
- Kernbeperkingen
- Core rigidities: kerncompetenties die bij verandering het leren van nieuwe dingen belemmeren (Leonard-Barton).
- SWOT
- Analyse van interne sterktes en zwaktes en externe kansen en bedreigingen.
- TOWS-matrix
- Matrix die sterktes en zwaktes koppelt aan kansen en bedreigingen tot S-O, S-T, W-O en W-T strategieën.
- Businessmodel
- Hoe een bedrijf waarde creëert en levert en de betalingen omzet in winst; waardepropositie plus operationeel model.
- Waardepropositie
- De waarde die een bedrijf levert aan zijn klanten.
- Business model canvas
- Model met negen bouwstenen om een businessmodel te beschrijven of te herontwerpen.
- Business model innovation
- Vernieuwing van het businessmodel via inhoud (nieuwe activiteiten), structuur (nieuwe koppelingen) of governance (wie voert uit).
- Shareholder view
- De opvatting dat een bedrijf er vooral is om de winst voor aandeelhouders te maximaliseren (Friedman).
- Stakeholder view
- De opvatting dat een bedrijf verplichtingen heeft tegenover alle belanghebbenden (Freeman).
- Maatschappelijk verantwoord ondernemen
- Activiteiten zo inrichten dat het bedrijf bijdraagt aan het welzijn van mens en milieu, verder dan de wet vereist.
- Triple bottom line
- Prestaties meten op people, planet en profit.
- Shared value
- Maatschappelijke problemen oplossen op een manier die ook economische waarde voor het bedrijf oplevert (Porter en Kramer).
- Ethisch relativisme
- De opvatting dat wat ethisch is afhangt van de lokale cultuur en gebruiken.
- Distinctive assets
- Vaste, onderscheidende herkenningspunten van een merk zoals kleur, logo, vorm en zegel.
- Mental availability
- De kans dat een merk in het hoofd opkomt op het moment van kopen.
- Physical availability
- De mate waarin een merk fysiek beschikbaar en vindbaar is voor shoppers.
- Penetratie
- Het percentage huishoudens dat een merk in een periode minstens één keer koopt; volgens Sharp de belangrijkste bron van groei.
- Drip-strategie
- Continu op schaal adverteren zodat het merk steeds in het geheugen wordt ververst.
- Power SKU
- Een productvariant die een groot deel van de omzet maakt en waarop de inspanningen worden geconcentreerd.
- Diffusiecurve
- Verspreiding van een innovatie over innovators (2,5%), early adopters (13,5%), early majority (34%), late majority (34%) en laggards (16%).
- Industrielevenscyclus
- De fasen introductie, groei, volwassenheid en neergang die een bedrijfstak doorloopt, elk met eigen kenmerken van concurrentie en klanten.
- Brand relationship spectrum
- Continuüm van branded house via sub-branding en endorsement naar house of brands.
- Archetypen van Jung
- Universele menselijke motieven in het collectieve onbewuste, zoals de verzorger en de minnaar, die JDE gebruikt voor merkpositionering.