Begrippen Inleiding Verantwoordelijke Organisatie
- Profession (professie)
- Volgens Laasch een gespecialiseerd beroep in dienst van de samenleving en de wereld, zoals de medische of juridische professie.
- Professioneel management
- Managementpraktijk uitgevoerd met professioneel gedrag en gericht op doelen die samenleving en wereld dienen; managen op een ethische, verantwoordelijke en duurzame manier.
- Managementpraktijken
- Activiteiten die managers gewoonlijk uitvoeren, zoals werven, budgetteren of marketing; ze kunnen de wereld verbeteren of schaden.
- Management innovation
- Uitvinding en invoering van een managementpraktijk die breekt met wat normaal is, zoals Arkwrights fabrieksproductie of Patagonia's demarketing.
- Old-world management
- Onprofessionele managementpraktijken die de grote problemen van de wereld negeren of eraan bijdragen, bijvoorbeeld shareholder-value management en beoordeling op kwartaalcijfers.
- Transition-world management
- De huidige fase waarin professionele praktijken worden vernieuwd om wereldproblemen aan te pakken, vaak in conflict met nog dominante old-world praktijken.
- New-world management
- Toekomstbeeld waarin management de old-world praktijken heeft verdrongen en een professie is geworden in dienst van een stabiliserende wereld.
- Planetaire grenzen
- Negen ecologische drempels die, als ze overschreden worden, het voortbestaan van de mensheid op aarde bedreigen, zoals klimaatverandering en biodiversiteitsverlies.
- Sustainable Development Goals (SDG's)
- Zeventien doelen van de Verenigde Naties voor de sociale, ecologische en economische problemen van de mensheid, te halen voor 2030.
- Greenwashing
- Een misleidende indruk wekken van de sociale, ecologische of ethische prestaties van een product of bedrijf; de talk komt dan niet overeen met de walk.
- Friedman-argument
- Het argument (Milton Friedman) dat de enige verantwoordelijkheid van managers is winst te maken voor de aandeelhouders; een belangrijke remmer van professioneel management.
- Institutioneel werk
- Werk om het 'normale' te veranderen, in stand te houden of een nieuwe norm te creëren, bijvoorbeeld lobbyen of het opbouwen van een managementprofessie.
- Management
- Het gedaan krijgen van dingen met mensen en middelen, in bedrijven maar ook in ngo's, overheid of een studieproject.
- Management uitvoeren (practicing management)
- Samenwerken met mensen en middelen om op een effectieve en efficiënte manier prestaties te bereiken in lijn met vooraf vastgestelde doelen.
- Effectiviteit
- De mate waarin het managementproces bijdraagt aan de vooraf gestelde doelen: de goede dingen doen.
- Efficiëntie
- De verhouding tussen de ingezette middelen en het managementresultaat: de dingen goed doen, met zo weinig mogelijk middelen.
- Materials
- De 'spullen' in een praktijk: fysieke zaken zoals tablets en vliegtuigen, maar ook managementtools zoals KPI's en scorecards.
- Meanings
- Waarden, oordelen, ideeën, ambities en logica's die betekenis geven aan een praktijk en haar vormen.
- Competences
- De vermogens van een beoefenaar die nodig zijn om een praktijk succesvol uit te voeren.
- Professional management six-pack
- Zes competentiedomeinen van de professionele manager: know, think, act, interact, be en become.
- Modes of management
- Onderscheiden, overlappende bundels praktijken, elk met een eigen object, zoals organizing, deciding, strategizing en entrepreneuring.
- Academische onpartijdigheid
- Het nastreven en presenteren van de waarheid zonder een politiek of moreel standpunt te promoten.
- Ethiek
- Het systematisch beschouwen van goed en fout aan de hand van bepaalde principes.
- Moraal (morality)
- De normen, waarden en overtuigingen over goed en fout van een specifiek individu, groep of cultuur.
- Ethisch probleem
- Een kwestie die draait om goede of foute beslissingen en gedrag, vaak een conflict tussen morele normen en externe gedragscodes of regels.
- Moreel dilemma
- Situatie waarin goed of kwaad ter discussie staat door alternatieve handelingen met aanzienlijke effecten op jezelf en anderen; er zijn tegenstrijdige morele keuzes en het antwoord is niet vanzelfsprekend.
- Genuine dilemma
- Ethisch probleem waarbij men gemotiveerd is het goede te doen maar niet weet wat dat is; taak is het besluitvormingsproces te ondersteunen.
- Compliance problem
- Ethisch probleem waarbij duidelijk is wat goed is maar mensen zich er niet aan houden; taak is begrijpen waarom en ethische instrumenten inzetten.
- Normatieve ethiek
- Domein van bedrijfsethiek dat op basis van moraalfilosofie beoordeelt wat goed of fout is.
- Descriptieve ethiek
- Domein dat op basis van gedragspsychologie beschrijft, verklaart en voorspelt waarom mensen ethisch of onethisch handelen.
- Ethics management
- Domein en proces waarin managementinstrumenten worden ingezet om ethische waardecreatie en moreel excellent gedrag te bevorderen.
- Consequentialisme
- Ethische theorie die goed en fout beoordeelt op basis van de gevolgen van een handeling; ook teleologische ethiek genoemd.
- Utilitarisme
- Vorm van consequentialisme (Bentham, Mill): de juiste handeling geeft het grootste geluk voor het grootste aantal betrokkenen.
- Deontologie
- Ethische theorie die goed en fout beoordeelt aan de hand van plichten die voortkomen uit universele regels en hogere principes, los van de uitkomst.
- Categorische imperatief
- Kants toets voor moreel handelen: handel zo dat je wilt dat je handeling een universele wet wordt; aangevuld met niet-instrumentalisering en het rijk der doelen.
- Deugdethiek
- Ethische theorie die een beslissing goed noemt als ze voortkomt uit een deugdzaam karakter en motief; gebaseerd op Aristoteles.
- Stakeholder
- Individu, groep of entiteit die invloed heeft op of beïnvloed wordt door de activiteiten van een organisatie; een aandeelhouder is één type stakeholder.
- Verantwoordelijk management
- Management dat vrijwillig verantwoordelijkheid neemt voor zijn impact op stakeholders, met als doel het harmoniseren van stakeholderwaarde.
- Piramide van Carroll
- Vier categorieën verantwoordelijkheid die op elkaar voortbouwen: economisch, juridisch, ethisch en discretionair (filantropisch).
- RDAP-schaal
- Vier niveaus van stakeholder responsiveness: reactief (ontkennen), defensief (erkennen maar ontlopen), accommoderend (accepteren en handelen), proactief (vooruitlopen op claims).
- Stakeholdermanagement
- Het managen van relaties met alle groepen die een activiteit beïnvloeden of erdoor beïnvloed worden, gericht op waardecreatie voor stakeholders.
- Stakeholderwaarde
- De mate van tevredenheid van één of alle stakeholders van een activiteit, zoals klanttevredenheid of werknemerswelzijn.
- Shared value
- Waarde die tegelijk voor interne stakeholders (bedrijf) en externe stakeholders (samenleving) wordt gecreëerd.
- Stakeholder assessment
- Het proces van het begrijpen van stakeholders en hun relatie tot een specifieke activiteit, bestaande uit identificatie en prioritering.
- Stakeholder engagement
- De praktijk van interactie met stakeholders: communicatie met stakeholders en co-creatie van gezamenlijke activiteiten.
- Primaire stakeholder
- Stakeholder met een directe band met het bedrijf via wet, ruil of fysieke nabijheid, zoals klanten, directe leveranciers en de lokale gemeenschap.
- Secundaire stakeholder
- Stakeholder zonder directe band, indirect verbonden via primaire stakeholders, zoals pers, ngo's en leveranciers van leveranciers.
- Salience-model (PUL)
- Model van Mitchell, Agle en Wood dat stakeholders prioriteert op macht (power), urgentie (urgency) en legitimiteit (legitimacy).
- Definitive stakeholder
- Stakeholder met macht, legitimiteit én urgentie; de hoogste prioriteit in het salience-model.
- Materialiteit
- Het gedeelde belang van een specifiek onderwerp voor zowel het bedrijf als de stakeholders.
- Duurzame ontwikkeling
- Ontwikkeling die voorziet in de behoeften van het heden zonder de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen (Brundtland).
- Duurzaam management
- Management dat sociaal, ecologisch en economisch kapitaal op korte, middellange en lange termijn in stand houdt en in balans brengt.
- Sociaal kapitaal
- Waarde belichaamd in mensen en hun relaties: menselijk kapitaal zoals kennis, vaardigheden en gezondheid, plus collectieve waarden, cultuur en welvaart.
- Natuurlijk kapitaal
- Hernieuwbare en niet-hernieuwbare natuurlijke hulpbronnen, inclusief niet-materiële diensten zoals bestuiving en recreatiewaarde; ook ecologisch of milieukapitaal genoemd.
- Economisch kapitaal
- Waarde uit materiële activa (machines), immateriële activa (merkwaarde, klantentrouw) en financiële middelen (kasstromen).
- Triple bottom line
- De gecombineerde sociale, ecologische en economische waarde of impact van een activiteit; People, Planet, Profit (Elkington).
- Herstellend (restorative) management
- Management met een netto positieve triple bottom line dat minstens één kapitaal aanvult zonder een ander uit te putten.
- Footprint
- De optelsom van één of meer soorten ecologische, sociale of economische impact voor een bepaalde eenheid, zoals CO2 per product.
- Doughnut-model
- Model met een sociaal fundament van minimale menselijke behoeften en een ecologisch plafond; daartussen ligt de veilige en rechtvaardige ruimte.
- Levenscyclusmodel
- Model dat de fasen van een product volgt: grondstoffen (source), maken (create), gebruik (use), en daarna hergebruik, recycling of afdanken.
- Life-cycle assessment (LCA)
- Het in kaart brengen van ecologische, sociale en economische impact in alle fasen van productie, gebruik en einde levensduur van een product.
- Organiseren
- Subdelen zoals middelen, taken en activiteiten zo rangschikken dat ze een geheel vormen voor verenigde actie.
- Organisatie
- Een sociale structuur die is gebouwd om waarde te creëren in overeenstemming met haar doel en waarden.
- Professioneel organiseren
- Ethisch, verantwoord en duurzaam organiseren én organisaties vormgeven die samenleving en planeet dienen.
- Decluttering
- Overbodige zaken (materieel, digitaal, mentaal of relationeel) wegdoen en wat je houdt zo organiseren dat het goed bruikbaar is.
- Delineating
- Afbakenen wat je wel en niet doet en hoe je je eigen tijd en die van anderen gebruikt.
- Delivering
- De goede dingen goed en op tijd opleveren, in balans tussen net goed genoeg en perfectionisme.
- Eisenhower-matrix
- Matrix van urgentie en belang: urgent en belangrijk doe je nu, belangrijk maar niet urgent plan je, urgent maar onbelangrijk delegeer je, de rest schrap je.
- Formele en informele structuur
- De formele (harde) structuur is het officiële organogram; de informele (zachte) structuur is het werkelijke netwerk van relaties en invloed.
- Mechanistisch organiseren
- Top-down, gecentraliseerde en gestandaardiseerde structuren met vaste rollen, gericht op efficiëntie.
- Organisch organiseren
- Bottom-up, gedecentraliseerde en aanpasbare dynamiek met flexibele rollen en een platte hiërarchie.
- Organisatiecultuur
- De gedeelde waarden, houdingen en overtuigingen die ten grondslag liggen aan beslissingen en handelingen in een organisatie; het DNA.
- Strategie
- Een geïntegreerd en gecoördineerd geheel van verbintenissen en acties gericht op het bereiken van een doel.
- Professionele strategie
- Integratie van sociaal-ecologische factoren in het kernproces van strategievorming om sociale, ecologische en economische waarde te creëren.
- Concurrentievoordeel
- Een voordeel ten opzichte van concurrenten, uitgedrukt in bovengemiddelde economische waarde voor de onderneming.
- Verantwoord concurrentievoordeel
- Een voordeel ten opzichte van concurrenten, uitgedrukt in bovengemiddelde waardecreatie voor een bredere groep stakeholders.
- PESTLE
- Analyse van de macro-omgeving op politieke, economische, sociale, technologische, juridische en ecologische factoren.
- Porters vijf krachten
- Model voor de aantrekkelijkheid van een bedrijfstak: rivaliteit, macht van leveranciers, macht van afnemers, dreiging van toetreders en dreiging van substituten.
- Waardeketen
- Beschrijving van alle activiteiten van een bedrijf, verdeeld in primaire activiteiten (logistiek, operaties, marketing, service) en ondersteunende activiteiten (infrastructuur, HRM, R&D, inkoop).
- VRIO
- Toets of een middel concurrentievoordeel oplevert: waardevol (valuable), zeldzaam (rare), moeilijk te imiteren (inimitable) en ondersteund door de organisatie; VRIN gebruikt niet-substitueerbaar als vierde criterium.
- SWOT-analyse
- Samenvatting van interne sterktes en zwaktes en externe kansen en bedreigingen.
- Diversificatie
- Uitbreiding van het aantal bedrijfseenheden en markten; gerelateerd als de nieuwe activiteit nauw aansluit bij de bestaande, ongerelateerd als dat niet zo is.
- BCG-matrix
- Portfolio-instrument op basis van marktgroei en relatief marktaandeel met vier typen: star, question mark, cash cow en dog.
- Porters generieke strategieën
- Vier strategieën op basis van bron van voordeel (kosten of differentiatie) en reikwijdte (breed of smal): kostenleiderschap, differentiatie, kostenfocus, differentiatiefocus.
- Businessmodel
- De unieke formule van waardepropositie, waardecreatie, waarde-uitwisseling en waardevangst van een organisatie.
- Innovatie
- Het creëren, gebruiken en verspreiden van noviteiten.
- Noviteit (novelty)
- Iets dat tot nu toe onbekend was.
- Professionele innovatie
- Effectief, verantwoord en in dienst van samenleving en planeet innoveren.
- Ambidexteriteit
- Het vermogen om tegelijk te exploreren (nieuwe noviteiten zoeken en ontwikkelen) en te exploiteren (bestaande noviteiten benutten voor waarde).
- Exploratie
- Praktijken gericht op het zoeken naar noviteiten en het ontwikkelen van innovaties; gericht op groei, flexibiliteit en doorbraken.
- Exploitatie
- Praktijken gericht op het gebruiken van een noviteit en er waarde mee genereren; gericht op efficiëntie, kosten en incrementele verbetering.
- Open innovatie
- Verspreid innovatieproces met kennisstromen over organisatiegrenzen heen, zowel naar binnen als naar buiten.
- Chasm
- De kloof in de adoptiecurve tussen de visionaire early adopters en de pragmatische early majority.
- Productinnovatie
- De introductie van een product of dienst die nieuw is of sterk verbeterd wat betreft kenmerken of beoogd gebruik.
- Procesinnovatie
- De invoering van een nieuw of sterk verbeterd productieproces of een nieuwe leveringsmethode.
- Marketinginnovatie
- Een nieuwe marketingmethode met grote veranderingen in ontwerp, verpakking, plaatsing, promotie of prijs.
- Organisatorische innovatie
- Een nieuwe organisatiemethode die verandert hoe mensen samenwerken, intern of met externe partners.
- Sociale innovatie
- Een innovatie die een sociale behoefte, kwestie of kans aanpakt via een nieuwe praktijk of institutie.
- Ondernemerschap (entrepreneuring)
- De ondernemingspraktijk waarbij waarde wordt gecreëerd door middelen en een kans samen te brengen.
- Professioneel ondernemen
- De behoeften van de samenleving effectief omzetten in waarde, met professioneel (ethisch, verantwoord en duurzaam) gedrag.
- Entrepreneurial manager
- Een beoefenaar met zowel management- als ondernemerscompetentie, die kansen omzet in waarde en tegelijk middelen beheert.
- Causation
- Denklogica waarbij je uit gegeven middelen kiest om een vooraf bepaald doel te bereiken.
- Effectuation
- Denklogica waarbij je met de middelen die je hebt nieuwe mogelijke doelen bedenkt.
- Bricolage
- Denklogica waarbij je roeit met de riemen die je hebt: beschikbare, niet-ideale middelen op een nieuwe manier combineren om waarde te creëren.
- Intrapreneurship
- Leden van een bestaande organisatie die kansen grijpen om de organisatie van binnenuit te veranderen of er nieuwe externe kansen mee te benutten.
- Institutioneel ondernemerschap
- Ondernemen om vanzelfsprekende, geïnstitutionaliseerde praktijken te creëren of te veranderen.
- Sociaal-commercieel spectrum
- Reeks van traditionele non-profit, inkomstengenererende non-profit, sociale onderneming, verantwoord bedrijf, onderneming met verantwoordelijkheid tot traditionele for-profit.
- Model van Timmons
- Model van het ondernemersproces waarin de oprichter kans, middelen en team in balans brengt via communicatie, creativiteit en leiderschap.
- Besluitvorming
- De managementmode gericht op het identificeren van alternatieven en het kiezen daartussen.
- Bounded rationality
- Begrensde rationaliteit (Herbert Simon): het onvermogen ooit volledig rationeel te zijn door beperkte informatie, beperkte cognitieve mogelijkheden en tijdsdruk.
- Satisficing
- Een beslissing nemen die goed genoeg is in plaats van de optimale, met behulp van vuistregels en minimumcriteria.
- Geprogrammeerde beslissing
- Vaak voorkomende, gestructureerde beslissing die met een standaardprocedure wordt genomen.
- Ongeprogrammeerde beslissing
- Eenmalige, ongestructureerde beslissing die een echte keuze tussen alternatieven vraagt.
- Logic of appropriateness
- Beslissen op basis van wat gepast is voor iemand zoals jij in een situatie als deze, in plaats van op basis van gevolgen.
- Rationele besluitvorming
- Objectief beslissen op basis van een systematische analyse van feiten en het kiezen van de optie met de hoogste verwachte waarde.
- Intuïtieve besluitvorming
- Beslissen op basis van direct weten, zonder bewust te redeneren.
- Creatieve besluitvorming
- Nieuwe, originele en waardevolle antwoorden en opties genereren.
- Relationele besluitvorming
- Collectief beslissen waarbij een groep samen informatie verzamelt, meerdere waarderingssystemen gebruikt en een optie kiest.
- Groepsdenken (groupthink)
- Het verschijnsel dat hechte groepen eensgezindheid boven kritiek stellen en daardoor slechtere beslissingen nemen.
- Communiceren
- De uitwisseling van informatie door middel van berichten.
- Effectieve communicatie
- Communicatie waarbij de boodschap correct overkomt of die de werkelijkheid beïnvloedt.
- Professionele communicatie
- Bekwame communicatie om op een ethische, verantwoorde en duurzame manier een positieve maatschappelijke rol te vervullen.
- Frame
- Een mentaal schema of lens waardoor mensen sociale situaties waarnemen en die betekenis geeft aan acties en gebeurtenissen (Goffman).
- Twalking
- De onlosmakelijke samenhang tussen praten (talk) en doen (walk).
- Decoupling
- Het loskoppelen van wat een organisatie zegt en wat zij doet, zoals bij een leugen of greenwashing.
- Stakeholder information strategy
- Eenrichtingscommunicatie waarbij het bedrijf vertelt maar niet luistert.
- Stakeholder response strategy
- Tweerichtingscommunicatie waarbij het bedrijf luistert naar feedback en zijn activiteiten aanpast.
- Stakeholder involvement strategy
- Dialoog waarin stakeholders bestaande activiteiten actief mee vormgeven.
- Stakeholder co-creation strategy
- Strategie waarbij het bedrijf openstaat voor ideeën van stakeholders en samen met hen nieuwe acties realiseert.
- Leiderschap
- Het aansturen van een groep mensen of een organisatie; in het boek: volgers richting geven, beïnvloeden en in staat stellen een doel te bereiken.
- Folleading
- De onlosmakelijke praktijken van leiden en volgen bij het nastreven van een gemeenschappelijk doel.
- Professioneel folleading
- Effectief volgen en leiden richting een doel dat samenleving en planeet dient, met ethisch, verantwoord en duurzaam gedrag.
- Effectieve volger
- Volger die actief en kritisch is: moedig, eerlijk en geloofwaardig, met zelfmanagement en toewijding aan een gemeenschappelijk doel.
- Sheeple
- Passieve, onkritische volgers die precies doen wat gevraagd wordt en geen initiatief tonen.
- Yes people
- Actieve maar onkritische volgers die het steeds met de leider eens zijn.
- Alienated followers
- Kritische maar passieve volgers die cynisch en ontevreden zijn geraakt.
- Situationeel leiderschap
- Benadering waarin leiders de mate van taaksturing en ondersteuning aanpassen aan het ontwikkelingsniveau van hun volgers (Hersey en Blanchard).
- Transformationeel leiderschap
- Leiderschap dat houdingen, motivatie en overtuigingen van volgers verandert via visie, inspiratie en emotionele verbinding.
- Transactioneel leiderschap
- Leiderschap dat eisen, rollen en verantwoordelijkheden duidelijk maakt en naleving beloont of bestraft.
- International business
- Commerciële transacties tussen twee of meer landen, zoals handel in goederen, diensten, kapitaal, technologie en kennis over landsgrenzen heen.
- Globalisering
- Het toenemende belang van wereldwijde normen, relaties en stromen; de integratie van economieën wereldwijd.
- Glocalization
- Mondiale activiteiten met een sterke aanpassing aan lokale omstandigheden, en lokale activiteiten die aansluiten bij mondiale omstandigheden.
- Global-sourcing company
- Bedrijf dat vooral in één land actief is maar wereldwijd inkoopt en daarom zijn buitenlandse leveranciers moet controleren.
- Multinational firm
- Bedrijf dat de nadruk legt op lokale responsiviteit en onafhankelijk lokaal management per land.
- Global company
- Bedrijf dat de wereld ziet als één markt met gecentraliseerde productie in enkele efficiënte fabrieken.
- Transnational firm
- Bedrijf dat mondiale efficiëntie combineert met lokale responsiviteit en mondiale en lokale kwesties even zwaar weegt.
- Foreign Direct Investment (FDI)
- (Gedeeltelijk) eigendom van en zeggenschap over een buitenlandse onderneming, waarbij activa naar het buitenland worden overgebracht.
- Hofstedes culturele dimensies
- Zes dimensies van nationale cultuur: individualisme, machtsafstand, onzekerheidsvermijding, masculiniteit, langetermijngerichtheid en toegeeflijkheid.