Begrippen Inleiding Gedrag in Organisaties en Werk
- Sociale bedrijfskunde
- De Nijmeegse benadering die organisaties bestudeert in relatie tot de maatschappij, als sociaal-maatschappelijke en integrale interdiscipline.
- Microniveau
- Het niveau van het individu in organisatie en werk: percepties, motivatie, gelijkwaardigheid en gezondheid. Het tegenovergestelde is het macroniveau van de organisatie in haar omgeving.
- Globalisering
- De geleidelijke verbinding tussen samenlevingen; de wereldwijde circulatie van goederen, diensten, kapitaal, informatie, ideeën en mensen.
- Productieketen (supply chain)
- Het netwerk van personen, organisaties, middelen, activiteiten en technologie van grondstof tot eindgebruiker. Langere en onzichtbare ketens vergroten de kans op uitbuiting.
- Moderne slavernij
- Gedwongen arbeid en mensenhandel die ondanks een wereldwijd verbod op grote schaal voorkomen, vaak via misleiding, schulden en het afpakken van documenten.
- Corporate Social Responsibility (CSR)
- Maatschappelijk verantwoord ondernemen. Wilson is sceptisch: het is moeilijk af te dwingen en draait vaak meer om rapporteren dan om resultaten.
- Ageism
- Het systematisch stereotyperen en discrimineren van mensen vanwege hun leeftijd, vooral van ouderen.
- Sociaal model van beperking
- De opvatting dat beperking sociaal geconstrueerd is: het probleem is een samenleving met een smalle opvatting van normaal, niet de persoon.
- Employability
- Een geheel van vaardigheden, begrip en persoonlijke eigenschappen dat de kans op werk en succes in een beroep vergroot; duurzame inzetbaarheid.
- Relatieve sociale mobiliteit
- De relatieve kans van mensen uit verschillende sociale achtergronden om in een bepaalde sociale klasse te belanden.
- Precariaat
- Volgens Standing een groeiende klasse die onzeker in en uit kortdurende banen gaat, zonder beroepsidentiteit, gemeenschap of solidariteit.
- Beroepssegregatie
- De verdeling van banen in 'mannenwerk' en 'vrouwenwerk', een belangrijke oorzaak van ongelijkheid.
- Parttime penalty
- Het nadeel van parttime werk: lager loon, minder promotie en opleiding, waardoor levenslange kansen dalen.
- Rationaliteit
- Denken en handelen op basis van rede en logica, doelgericht en geschikt voor het doel.
- Managementrationale
- De redenering dat managers de beste werknemers aannemen en daar de beste prestaties uit halen om de organisatiedoelen te bereiken.
- Functionalisme
- Een benadering waarin de werknemer een functionaris is die wordt geselecteerd, opgeleid en ontwikkeld in dienst van de organisatiedoelen.
- Scientific management
- Taylors benadering van management als wetenschap met duidelijke wetten, regels en principes, gemeten met time and motion studies.
- Time and motion studies
- Het opdelen en meten van werkbewegingen met een stopwatch om de snelste uitvoering te vinden.
- Division of labour
- Het opdelen van werk volgens Taylor: scheiding van hoofd en hand, maximale decompositie, scheiding van direct en indirect werk en minimale vaardigheden.
- Fordisme
- De toepassing van Taylors principes aan de lopende band door Henry Ford, met strenge controle, machinetempo en monotone taken.
- Routinisering
- Het routinematig maken van werk: snelle herhaling, automatisch en zonder nadenken, vaak machinaal.
- Deskilling
- Ontvaardigen: het beperken van de vaardigheden die nodig zijn om werk uit te voeren, wat tot degradatie van werk leidt.
- Labour process (Braverman)
- Bravermans analyse dat scientific management het werk degradeert door vaardigheid en proces te scheiden, conceptie en executie te scheiden en kennis te monopoliseren.
- Human relations beweging
- Stroming die na de Hawthorne-experimenten de sociale behoeften van werknemers en de informele organisatie centraal stelde.
- Hawthorne-experimenten
- Onderzoek bij Western Electric (vanaf 1924) waarin productiviteit steeg door aandacht en groepsrelaties, maar dat later sterk werd bekritiseerd.
- Informele organisatie
- Vriendschap, groepsvorming, interactie, vertrouwen, loyaliteit en groepsnormen naast de formele organisatie van het organigram.
- Job redesign
- Pogingen om banen zinvoller en uitdagender te maken, bijvoorbeeld door taakroulatie of taakverrijking.
- Eugenetica
- Een zogenaamde wetenschap die uitgaat van aangeboren verschillen en bepaalde rassen of bloedlijnen voorrang wil geven.
- Vocational guidance
- Mensen testen op aanleg en intelligentie en plaatsen in de baan waarvoor ze geschikt lijken.
- SMART-doelen
- Doelen die Specifiek, Meetbaar, Afgesproken, Relevant en Tijdgebonden zijn.
- Key Performance Indicator (KPI)
- Een vastgestelde, meetbare indicator van productiviteit. Wat niet meetbaar is, zoals veiligheid en ethiek, raakt daardoor uit beeld.
- Paradigma
- Een samenhangend wereldbeeld van een onderzoeker of onderzoeksgemeenschap (Kuhn).
- Ontologie
- De leer van de aard van de werkelijkheid: bestaat die onafhankelijk van de waarnemer?
- Epistemologie
- De leer van de aard van kennis en hoe kennis tot stand komt.
- Methodologie
- De strategie en combinatie van methoden waarmee je onderzoek doet.
- Axiologie
- De waardeleer: welke waarde of welk doel staat centraal in onderzoek.
- Incommensurabiliteit
- Het fundamenteel onvergelijkbaar zijn van paradigma's, waardoor onderzoekers langs elkaar heen praten.
- Realisme
- De ontologische positie dat er één werkelijkheid bestaat, onafhankelijk van de waarnemer, met harde feiten die je kunt blootleggen.
- Intern realisme
- Er is één werkelijkheid onafhankelijk van de mens, maar we kunnen die alleen indirect waarnemen; een afgezwakte vorm van realisme.
- Relativisme
- De positie dat er meerdere waarheden zijn en dat feiten afhangen van het standpunt van de waarnemer.
- Nominalisme
- De positie dat er geen waarheid is en dat de werkelijkheid door taal en benamingen wordt gecreëerd.
- Positivisme
- De epistemologie dat de sociale wereld extern bestaat en objectief kan worden gemeten, met causaliteit, hypotheses en generalisatie.
- Sociaal constructivisme
- De opvatting dat de werkelijkheid sociaal wordt geconstrueerd en betekenis krijgt in interactie en taal.
- Pragmatisme
- Het paradigma waarin een bewering waar is als ze in de praktijk werkt; de werkelijkheid is maakbaar.
- Kritische theorie
- Het paradigma dat wetenschap niet neutraal acht en onderdrukkende structuren zichtbaar wil maken en emancipatie nastreeft.
- Deductie
- Vanuit theorie een hypothese afleiden en die toetsen in de praktijk.
- Inductie
- Vanuit waarnemingen in de praktijk een theorie opbouwen.
- Operationaliseren
- Een begrip zo definiëren dat het kwantitatief kan worden gemeten.
- Triangulatie
- Het combineren van verschillende methoden of databronnen om een vollediger beeld te krijgen.
- Critical Management Studies
- De traditie die managementtheorie en praktijk bevraagt op herkomst, belangen, macht en uitsluiting.
- Theoretisch imperialisme
- Westerse managementtheorieën als universeel presenteren en opleggen aan niet-westerse contexten.
- Epistemische blindheid
- Het niet zien dat de aannames van een kennissysteem bepalen welke kennis mogelijk is; geschiedenissen van ras en kolonialisme worden weggelaten.
- Epistemisch wissen
- Het ontkennen of ondergeschikt maken van alternatieve kennis door die af te doen als traditioneel, bijgeloof of etnowetenschap.
- Epistemisch reductionisme
- Andere kennis terugbrengen tot een hanteerbaar niveau dat in westerse theorie past, waardoor de holistische basis verdwijnt.
- Kolonialiteit van macht
- Een geracialiseerde indeling van samenlevingen die structurele ongelijkheid uit de koloniale tijd ook na onafhankelijkheid in stand houdt.
- Performativiteit van theorie
- Het idee dat theorieën de werkelijkheid niet alleen beschrijven maar ook vormen door hoe ze worden toegepast.
- Institutional voids
- Ontbrekende instituties in arme landen; volgens Banerjee vaak ontstaan doordat koloniale machten bestaande systemen vernietigden.
- Epistemische rechtvaardigheid
- Het rechtzetten van de uitsluiting van zwarte, inheemse en gekleurde mensen uit de productie van kennis.
- Pluriversum
- Een wereld waarin vele werelden en manieren van weten naast elkaar bestaan.
- Neoliberalisme
- Ideologie van vrije markten, concurrentie en individuele verantwoordelijkheid met een kleine rol voor de overheid.
- Vervreemding
- Het gevoel dat werk extern en vreemd is aan de werknemer, met machteloosheid, zinloosheid en zelfvervreemding.
- Oriëntatie op werk
- De houding tegenover werk en wat werk voor iemand betekent; Goldthorpe onderscheidt instrumenteel, bureaucratisch en solidaristisch.
- Instrumentele oriëntatie
- Werk is een middel tot een doel; betrokkenheid is berekenend zolang de beloning de beste beschikbare is.
- Bureaucratische oriëntatie
- Werk als dienstbaarheid aan een organisatie in ruil voor stijgend inkomen, status, zekerheid en een loopbaan.
- Solidaristische oriëntatie
- Werk als groepsactiviteit waarbij inkomen wordt opgeofferd om groepsnormen en solidariteit te bewaren.
- Embourgeoisement
- De these dat welvarende arbeiders middenklasse worden; door Goldthorpe niet bevestigd.
- Centraal levensbelang
- De mate waarin werk centraal staat in iemands leven; volgens Dubin voor de meeste industriearbeiders niet.
- Dirty work
- Werk dat fysiek walgelijk is, vernedering symboliseert, waardigheid aantast of moreel twijfelachtig wordt gevonden (Hughes).
- Making out
- Het spel waarin arbeiders hun stukloonbonus maximaliseren, waarmee ze ook instemming met het systeem reproduceren (Burawoy).
- Workplace commitment
- Een vrijwillige psychologische band van toewijding aan en verantwoordelijkheid voor een bepaald doel (Klein).
- Commitment systeem
- Een netwerk van met elkaar samenhangende commitments aan een set doelen, met elementen (doel, sterkte) en interactie (koppeling, aard).
- Acquiescence
- Berusting of inwilliging: een verbinding waarin iemand geen keuze heeft.
- Centraal organiserend telos
- Volgens Mejia een praktijk, zoals betaald werk, die de samenleving structureert en de idealen van een goed leven bepaalt.
- Inhoudstheorieën
- Motivatietheorieën over behoeften, drijfveren en doelen in de persoon, zoals Maslow en Herzberg.
- Procestheorieën
- Motivatietheorieën over cognitieve afwegingen van beloning, kosten en eerlijkheid, zoals equity en expectancy theory.
- Unitarisme
- De aanname dat management en werknemers dezelfde belangen hebben en naar één doel werken.
- Zelfactualisatie
- Het hoogste niveau bij Maslow: worden wat je kunt worden en je potentieel waarmaken.
- Motivatoren
- Bij Herzberg intrinsieke factoren als prestatie, erkenning, het werk zelf, verantwoordelijkheid en groei die tevredenheid geven.
- Hygiënefactoren
- Bij Herzberg extrinsieke factoren als salaris, toezicht en werkomstandigheden die bij gebrek ontevredenheid geven.
- Verticale taakbelasting
- Werk verrijken met meer verantwoordelijkheid en bevoegdheid in plaats van meer van hetzelfde (horizontaal).
- Theory X en Theory Y
- McGregors twee sets aannames: mensen hebben een afkeer van werk en moeten worden gecontroleerd, tegenover mensen zoeken verantwoordelijkheid en sturen zichzelf.
- Equity theory
- Adams: mensen vergelijken hun verhouding van inbreng en opbrengst met anderen en passen zich aan bij ervaren onbillijkheid.
- Expectancy theory
- Vroom: motivatie hangt af van verwachting, instrumentaliteit en valentie.
- Thematic Apperception Test (TAT)
- Projectieve test van McClelland waarbij deelnemers een verhaal bij een plaatje schrijven om impliciete motieven te meten.
- Werkgerelateerde stress
- Een schadelijke reactie op overmatige druk en eisen op het werk.
- Rolconflict
- Tegenstrijdige eisen, of dingen moeten doen die je niet wilt of niet bij je werk vindt horen.
- Rolambiguïteit
- Onduidelijkheid over doelen, verwachtingen en de reikwijdte van je verantwoordelijkheden.
- Appraisal
- De beoordeling van een gebeurtenis als bedreiging, schade of uitdaging, die volgens Lazarus de stressreactie bepaalt.
- Type A-gedrag
- Gedrevenheid, haast, competitie en ongeduld; risicofactor voor hartziekten maar ook voorspeller van loopbaansucces.
- Employee Assistance Programme (EAP)
- Counseling voor werknemers met problemen als verslaving of psychische klachten; richt zich op het individu en niet op de bronnen van stress.
- Feeling rules
- Aangeleerde, expliciete of impliciete regels over welke emoties je wanneer mag tonen.
- Latente functies van werk
- Jahoda: tijdsstructuur, sociaal contact, collectief doel, sociale identiteit en status, en regelmatige activiteit.
- Vitaminemodel (Warr)
- Negen omgevingsfactoren die, net als vitaminen, tot een optimum gunstig zijn voor geestelijke gezondheid.
- Veerkracht
- Het vermogen om na tegenslag relatief stabiel gezond te blijven functioneren of terug te veren; door Schwarz kritisch bekeken.
- Commodificatie
- Het tot handelswaar maken van iets, zoals veerkracht en diagnoses, met een eigen markt van producten en diensten.
- Gecontextualiseerde veerkracht
- Veerkracht gezien als product van culturele, sociale, economische en politieke factoren en structurele ongelijkheid.
- Perceptie
- Het actieve proces van selecteren, ordenen en interpreteren van zintuiglijke informatie.
- Gestalt
- Een betekenisvol geheel; we ordenen waarnemingen automatisch tot patronen via principes als nabijheid, gelijkheid en geslotenheid.
- Attributietheorie
- Theorie over hoe we gedrag toeschrijven aan interne of externe oorzaken op basis van distinctiveness, consistency en consensus.
- Gehoorzaamheid
- Opdrachten van een autoriteit uitvoeren, ook als ze schadelijk zijn, zoals bij Milgram.
- Impliciete persoonlijkheidstheorie
- Een set aannames over welke eigenschappen bij elkaar horen, die we gebruiken om mensen te beoordelen.
- Logische fout
- Onvolledige informatie aanvullen tot een consistent beeld in de veronderstelling dat bepaalde eigenschappen altijd samen voorkomen.
- Halo-effect
- De neiging om het hele oordeel over iemand te laten bepalen door één eigenschap.
- Stereotype
- Kennis of denken dat groepslidmaatschap koppelt aan bepaalde eigenschappen.
- Vooroordeel
- Een vooral door emotie gedreven, meestal negatieve houding tegenover een groep of een lid daarvan.
- Self-fulfilling prophecy
- Een verwachting die zichzelf waarmaakt doordat mensen zich ernaar gaan gedragen.
- Frame
- Een aangeleerde set associaties die de aandacht op sommige aspecten van een situatie richt en andere buitensluit.
- Psychologisch contract
- De perceptie van werknemer en werkgever van hun wederzijdse, vaak informele verplichtingen.
- Ingroup en outgroup
- De eigen groep die we gunstig beoordelen tegenover andere groepen die we minder gunstig beoordelen.
- Organisatiecultuur
- Volgens Deal en Kennedy 'de manier waarop we de dingen hier doen'; volgens Schein een patroon van gedeelde basisaannames.
- Artefacten
- Het zichtbare niveau van cultuur bij Schein: gebouwen, kleding, logo's, taal en rituelen.
- Basisaannames
- Het diepste niveau van cultuur bij Schein: onbewuste, vanzelfsprekende overtuigingen.
- Normatieve controle
- Werknemers sturen door hun ervaringen, gedachten en gevoelens te beïnvloeden in plaats van via regels.
- Subcultuur
- Een cultuur binnen een organisatie die kan afwijken van of concurreren met de dominante cultuur.
- Machtsafstand
- Hofstedes dimensie voor de mate waarin minder machtigen een ongelijke verdeling van macht accepteren.
- Waarden
- Wenselijke, situatieoverstijgende doelen die in belang verschillen en als leidende principes dienen; de prioriteit ligt bij het individu.
- Normen
- Impliciete of expliciete regels van een groep over passende waarden, overtuigingen en gedragingen; de prioriteit ligt bij de groep.
- Zelftranscendentie
- Hogere-orde waardetype van Schwartz met universalisme en welwillendheid, tegenover zelfverheffing.
- Openheid voor verandering
- Hogere-orde waardetype van Schwartz met zelfbepaling en stimulatie, tegenover behoud.
- Person-environment misfit
- Het niet passen van een persoon bij zijn omgeving, inclusief de sociale context van collega's en groepsnormen.
- Seksualiteit (in organisaties)
- Seksuele rollen, voorkeur, aantrekkelijkheid en opvattingen over mannelijkheid en vrouwelijkheid op het werk.
- Sekse-typering van banen
- Het indelen van banen als passend voor mannen of voor vrouwen op basis van genderstereotypen.
- Stigmatisering
- Het toekennen van bepaalde, meestal negatieve kenmerken aan een persoon of groep, wat kan leiden tot vooroordelen en een vertekend zelfbeeld.
- Glass escalator
- Het voordeel van mannen in vrouwenberoepen, die als betere leiders worden gezien en sneller stijgen.
- Emotionele arbeid
- Hochschild: de emotionele controle die werknemers tonen, inclusief niet gevoelde positieve emoties tegenover klanten.
- Surface acting
- Doen alsof je een emotie voelt; je misleidt anderen maar niet jezelf.
- Deep acting
- Je gevoel zo bewerken dat je de voorgeschreven emotie echt ervaart; je misleidt ook jezelf.
- Esthetische arbeid
- Het voorschrijven en managen van het uiterlijk van werknemers voor commercieel voordeel.
- Seksuele intimidatie
- Ongewenst gedrag van seksuele aard dat de waardigheid aantast of een vijandige, vernederende omgeving schept.
- Heteronormativiteit
- Het vanzelfsprekend maken van heteroseksualiteit als norm, waardoor andere seksualiteiten afwijkend lijken.
- Identiteitsmanagement
- Strategieën van LHBT-werknemers rond openheid: counterfeiting, avoidance en integrating (Button).
- Loopbaan
- De opeenvolging van werkervaringen in de loop van iemands leven.
- Duurzame loopbaan
- Loopbaanervaringen met patronen van continuïteit in de tijd, door verschillende sociale ruimtes, met individuele agency, die betekenis geven.
- Agency
- Het vermogen van een persoon om zelf keuzes te maken en te handelen.
- Boundaryless career
- Een loopbaan die zich over organisatiegrenzen heen beweegt.
- Protean career
- Een zelfgestuurde loopbaan gebaseerd op eigen waarden.
- Subjectief loopbaansucces
- Tevredenheid over je loopbaan gemeten aan je eigen waarden en loopbaanankers, in plaats van loon en promotie.
- Collectieve waardigheid
- Bals alternatief: een loopbaan is alleen duurzaam als ze de intrinsieke waarde van mensen en planeet respecteert.
- Responsibilisering
- Het verschuiven van verantwoordelijkheid voor uitkomsten van de staat naar het individu.
- Capabilities en functionings
- Capabilities zijn de reële kansen en vrijheden; functionings zijn wat iemand feitelijk bereikt (Sen en Nussbaum).
- Opgesloten zitten in de baan
- Ontevreden zijn in je baan en toch inactief blijven door waargenomen beperkte baankansen.
- Job crafting
- Werknemers die zelf hun baan bijsturen en aanpassen om hun werkvermogen te beschermen.