Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

Begrippen Inleiding Gedrag in Organisaties en Werk

Sociale bedrijfskunde
De Nijmeegse benadering die organisaties bestudeert in relatie tot de maatschappij, als sociaal-maatschappelijke en integrale interdiscipline.
Microniveau
Het niveau van het individu in organisatie en werk: percepties, motivatie, gelijkwaardigheid en gezondheid. Het tegenovergestelde is het macroniveau van de organisatie in haar omgeving.
Globalisering
De geleidelijke verbinding tussen samenlevingen; de wereldwijde circulatie van goederen, diensten, kapitaal, informatie, ideeën en mensen.
Productieketen (supply chain)
Het netwerk van personen, organisaties, middelen, activiteiten en technologie van grondstof tot eindgebruiker. Langere en onzichtbare ketens vergroten de kans op uitbuiting.
Moderne slavernij
Gedwongen arbeid en mensenhandel die ondanks een wereldwijd verbod op grote schaal voorkomen, vaak via misleiding, schulden en het afpakken van documenten.
Corporate Social Responsibility (CSR)
Maatschappelijk verantwoord ondernemen. Wilson is sceptisch: het is moeilijk af te dwingen en draait vaak meer om rapporteren dan om resultaten.
Ageism
Het systematisch stereotyperen en discrimineren van mensen vanwege hun leeftijd, vooral van ouderen.
Sociaal model van beperking
De opvatting dat beperking sociaal geconstrueerd is: het probleem is een samenleving met een smalle opvatting van normaal, niet de persoon.
Employability
Een geheel van vaardigheden, begrip en persoonlijke eigenschappen dat de kans op werk en succes in een beroep vergroot; duurzame inzetbaarheid.
Relatieve sociale mobiliteit
De relatieve kans van mensen uit verschillende sociale achtergronden om in een bepaalde sociale klasse te belanden.
Precariaat
Volgens Standing een groeiende klasse die onzeker in en uit kortdurende banen gaat, zonder beroepsidentiteit, gemeenschap of solidariteit.
Beroepssegregatie
De verdeling van banen in 'mannenwerk' en 'vrouwenwerk', een belangrijke oorzaak van ongelijkheid.
Parttime penalty
Het nadeel van parttime werk: lager loon, minder promotie en opleiding, waardoor levenslange kansen dalen.
Rationaliteit
Denken en handelen op basis van rede en logica, doelgericht en geschikt voor het doel.
Managementrationale
De redenering dat managers de beste werknemers aannemen en daar de beste prestaties uit halen om de organisatiedoelen te bereiken.
Functionalisme
Een benadering waarin de werknemer een functionaris is die wordt geselecteerd, opgeleid en ontwikkeld in dienst van de organisatiedoelen.
Scientific management
Taylors benadering van management als wetenschap met duidelijke wetten, regels en principes, gemeten met time and motion studies.
Time and motion studies
Het opdelen en meten van werkbewegingen met een stopwatch om de snelste uitvoering te vinden.
Division of labour
Het opdelen van werk volgens Taylor: scheiding van hoofd en hand, maximale decompositie, scheiding van direct en indirect werk en minimale vaardigheden.
Fordisme
De toepassing van Taylors principes aan de lopende band door Henry Ford, met strenge controle, machinetempo en monotone taken.
Routinisering
Het routinematig maken van werk: snelle herhaling, automatisch en zonder nadenken, vaak machinaal.
Deskilling
Ontvaardigen: het beperken van de vaardigheden die nodig zijn om werk uit te voeren, wat tot degradatie van werk leidt.
Labour process (Braverman)
Bravermans analyse dat scientific management het werk degradeert door vaardigheid en proces te scheiden, conceptie en executie te scheiden en kennis te monopoliseren.
Human relations beweging
Stroming die na de Hawthorne-experimenten de sociale behoeften van werknemers en de informele organisatie centraal stelde.
Hawthorne-experimenten
Onderzoek bij Western Electric (vanaf 1924) waarin productiviteit steeg door aandacht en groepsrelaties, maar dat later sterk werd bekritiseerd.
Informele organisatie
Vriendschap, groepsvorming, interactie, vertrouwen, loyaliteit en groepsnormen naast de formele organisatie van het organigram.
Job redesign
Pogingen om banen zinvoller en uitdagender te maken, bijvoorbeeld door taakroulatie of taakverrijking.
Eugenetica
Een zogenaamde wetenschap die uitgaat van aangeboren verschillen en bepaalde rassen of bloedlijnen voorrang wil geven.
Vocational guidance
Mensen testen op aanleg en intelligentie en plaatsen in de baan waarvoor ze geschikt lijken.
SMART-doelen
Doelen die Specifiek, Meetbaar, Afgesproken, Relevant en Tijdgebonden zijn.
Key Performance Indicator (KPI)
Een vastgestelde, meetbare indicator van productiviteit. Wat niet meetbaar is, zoals veiligheid en ethiek, raakt daardoor uit beeld.
Paradigma
Een samenhangend wereldbeeld van een onderzoeker of onderzoeksgemeenschap (Kuhn).
Ontologie
De leer van de aard van de werkelijkheid: bestaat die onafhankelijk van de waarnemer?
Epistemologie
De leer van de aard van kennis en hoe kennis tot stand komt.
Methodologie
De strategie en combinatie van methoden waarmee je onderzoek doet.
Axiologie
De waardeleer: welke waarde of welk doel staat centraal in onderzoek.
Incommensurabiliteit
Het fundamenteel onvergelijkbaar zijn van paradigma's, waardoor onderzoekers langs elkaar heen praten.
Realisme
De ontologische positie dat er één werkelijkheid bestaat, onafhankelijk van de waarnemer, met harde feiten die je kunt blootleggen.
Intern realisme
Er is één werkelijkheid onafhankelijk van de mens, maar we kunnen die alleen indirect waarnemen; een afgezwakte vorm van realisme.
Relativisme
De positie dat er meerdere waarheden zijn en dat feiten afhangen van het standpunt van de waarnemer.
Nominalisme
De positie dat er geen waarheid is en dat de werkelijkheid door taal en benamingen wordt gecreëerd.
Positivisme
De epistemologie dat de sociale wereld extern bestaat en objectief kan worden gemeten, met causaliteit, hypotheses en generalisatie.
Sociaal constructivisme
De opvatting dat de werkelijkheid sociaal wordt geconstrueerd en betekenis krijgt in interactie en taal.
Pragmatisme
Het paradigma waarin een bewering waar is als ze in de praktijk werkt; de werkelijkheid is maakbaar.
Kritische theorie
Het paradigma dat wetenschap niet neutraal acht en onderdrukkende structuren zichtbaar wil maken en emancipatie nastreeft.
Deductie
Vanuit theorie een hypothese afleiden en die toetsen in de praktijk.
Inductie
Vanuit waarnemingen in de praktijk een theorie opbouwen.
Operationaliseren
Een begrip zo definiëren dat het kwantitatief kan worden gemeten.
Triangulatie
Het combineren van verschillende methoden of databronnen om een vollediger beeld te krijgen.
Critical Management Studies
De traditie die managementtheorie en praktijk bevraagt op herkomst, belangen, macht en uitsluiting.
Theoretisch imperialisme
Westerse managementtheorieën als universeel presenteren en opleggen aan niet-westerse contexten.
Epistemische blindheid
Het niet zien dat de aannames van een kennissysteem bepalen welke kennis mogelijk is; geschiedenissen van ras en kolonialisme worden weggelaten.
Epistemisch wissen
Het ontkennen of ondergeschikt maken van alternatieve kennis door die af te doen als traditioneel, bijgeloof of etnowetenschap.
Epistemisch reductionisme
Andere kennis terugbrengen tot een hanteerbaar niveau dat in westerse theorie past, waardoor de holistische basis verdwijnt.
Kolonialiteit van macht
Een geracialiseerde indeling van samenlevingen die structurele ongelijkheid uit de koloniale tijd ook na onafhankelijkheid in stand houdt.
Performativiteit van theorie
Het idee dat theorieën de werkelijkheid niet alleen beschrijven maar ook vormen door hoe ze worden toegepast.
Institutional voids
Ontbrekende instituties in arme landen; volgens Banerjee vaak ontstaan doordat koloniale machten bestaande systemen vernietigden.
Epistemische rechtvaardigheid
Het rechtzetten van de uitsluiting van zwarte, inheemse en gekleurde mensen uit de productie van kennis.
Pluriversum
Een wereld waarin vele werelden en manieren van weten naast elkaar bestaan.
Neoliberalisme
Ideologie van vrije markten, concurrentie en individuele verantwoordelijkheid met een kleine rol voor de overheid.
Vervreemding
Het gevoel dat werk extern en vreemd is aan de werknemer, met machteloosheid, zinloosheid en zelfvervreemding.
Oriëntatie op werk
De houding tegenover werk en wat werk voor iemand betekent; Goldthorpe onderscheidt instrumenteel, bureaucratisch en solidaristisch.
Instrumentele oriëntatie
Werk is een middel tot een doel; betrokkenheid is berekenend zolang de beloning de beste beschikbare is.
Bureaucratische oriëntatie
Werk als dienstbaarheid aan een organisatie in ruil voor stijgend inkomen, status, zekerheid en een loopbaan.
Solidaristische oriëntatie
Werk als groepsactiviteit waarbij inkomen wordt opgeofferd om groepsnormen en solidariteit te bewaren.
Embourgeoisement
De these dat welvarende arbeiders middenklasse worden; door Goldthorpe niet bevestigd.
Centraal levensbelang
De mate waarin werk centraal staat in iemands leven; volgens Dubin voor de meeste industriearbeiders niet.
Dirty work
Werk dat fysiek walgelijk is, vernedering symboliseert, waardigheid aantast of moreel twijfelachtig wordt gevonden (Hughes).
Making out
Het spel waarin arbeiders hun stukloonbonus maximaliseren, waarmee ze ook instemming met het systeem reproduceren (Burawoy).
Workplace commitment
Een vrijwillige psychologische band van toewijding aan en verantwoordelijkheid voor een bepaald doel (Klein).
Commitment systeem
Een netwerk van met elkaar samenhangende commitments aan een set doelen, met elementen (doel, sterkte) en interactie (koppeling, aard).
Acquiescence
Berusting of inwilliging: een verbinding waarin iemand geen keuze heeft.
Centraal organiserend telos
Volgens Mejia een praktijk, zoals betaald werk, die de samenleving structureert en de idealen van een goed leven bepaalt.
Inhoudstheorieën
Motivatietheorieën over behoeften, drijfveren en doelen in de persoon, zoals Maslow en Herzberg.
Procestheorieën
Motivatietheorieën over cognitieve afwegingen van beloning, kosten en eerlijkheid, zoals equity en expectancy theory.
Unitarisme
De aanname dat management en werknemers dezelfde belangen hebben en naar één doel werken.
Zelfactualisatie
Het hoogste niveau bij Maslow: worden wat je kunt worden en je potentieel waarmaken.
Motivatoren
Bij Herzberg intrinsieke factoren als prestatie, erkenning, het werk zelf, verantwoordelijkheid en groei die tevredenheid geven.
Hygiënefactoren
Bij Herzberg extrinsieke factoren als salaris, toezicht en werkomstandigheden die bij gebrek ontevredenheid geven.
Verticale taakbelasting
Werk verrijken met meer verantwoordelijkheid en bevoegdheid in plaats van meer van hetzelfde (horizontaal).
Theory X en Theory Y
McGregors twee sets aannames: mensen hebben een afkeer van werk en moeten worden gecontroleerd, tegenover mensen zoeken verantwoordelijkheid en sturen zichzelf.
Equity theory
Adams: mensen vergelijken hun verhouding van inbreng en opbrengst met anderen en passen zich aan bij ervaren onbillijkheid.
Expectancy theory
Vroom: motivatie hangt af van verwachting, instrumentaliteit en valentie.
Thematic Apperception Test (TAT)
Projectieve test van McClelland waarbij deelnemers een verhaal bij een plaatje schrijven om impliciete motieven te meten.
Werkgerelateerde stress
Een schadelijke reactie op overmatige druk en eisen op het werk.
Rolconflict
Tegenstrijdige eisen, of dingen moeten doen die je niet wilt of niet bij je werk vindt horen.
Rolambiguïteit
Onduidelijkheid over doelen, verwachtingen en de reikwijdte van je verantwoordelijkheden.
Appraisal
De beoordeling van een gebeurtenis als bedreiging, schade of uitdaging, die volgens Lazarus de stressreactie bepaalt.
Type A-gedrag
Gedrevenheid, haast, competitie en ongeduld; risicofactor voor hartziekten maar ook voorspeller van loopbaansucces.
Employee Assistance Programme (EAP)
Counseling voor werknemers met problemen als verslaving of psychische klachten; richt zich op het individu en niet op de bronnen van stress.
Feeling rules
Aangeleerde, expliciete of impliciete regels over welke emoties je wanneer mag tonen.
Latente functies van werk
Jahoda: tijdsstructuur, sociaal contact, collectief doel, sociale identiteit en status, en regelmatige activiteit.
Vitaminemodel (Warr)
Negen omgevingsfactoren die, net als vitaminen, tot een optimum gunstig zijn voor geestelijke gezondheid.
Veerkracht
Het vermogen om na tegenslag relatief stabiel gezond te blijven functioneren of terug te veren; door Schwarz kritisch bekeken.
Commodificatie
Het tot handelswaar maken van iets, zoals veerkracht en diagnoses, met een eigen markt van producten en diensten.
Gecontextualiseerde veerkracht
Veerkracht gezien als product van culturele, sociale, economische en politieke factoren en structurele ongelijkheid.
Perceptie
Het actieve proces van selecteren, ordenen en interpreteren van zintuiglijke informatie.
Gestalt
Een betekenisvol geheel; we ordenen waarnemingen automatisch tot patronen via principes als nabijheid, gelijkheid en geslotenheid.
Attributietheorie
Theorie over hoe we gedrag toeschrijven aan interne of externe oorzaken op basis van distinctiveness, consistency en consensus.
Gehoorzaamheid
Opdrachten van een autoriteit uitvoeren, ook als ze schadelijk zijn, zoals bij Milgram.
Impliciete persoonlijkheidstheorie
Een set aannames over welke eigenschappen bij elkaar horen, die we gebruiken om mensen te beoordelen.
Logische fout
Onvolledige informatie aanvullen tot een consistent beeld in de veronderstelling dat bepaalde eigenschappen altijd samen voorkomen.
Halo-effect
De neiging om het hele oordeel over iemand te laten bepalen door één eigenschap.
Stereotype
Kennis of denken dat groepslidmaatschap koppelt aan bepaalde eigenschappen.
Vooroordeel
Een vooral door emotie gedreven, meestal negatieve houding tegenover een groep of een lid daarvan.
Self-fulfilling prophecy
Een verwachting die zichzelf waarmaakt doordat mensen zich ernaar gaan gedragen.
Frame
Een aangeleerde set associaties die de aandacht op sommige aspecten van een situatie richt en andere buitensluit.
Psychologisch contract
De perceptie van werknemer en werkgever van hun wederzijdse, vaak informele verplichtingen.
Ingroup en outgroup
De eigen groep die we gunstig beoordelen tegenover andere groepen die we minder gunstig beoordelen.
Organisatiecultuur
Volgens Deal en Kennedy 'de manier waarop we de dingen hier doen'; volgens Schein een patroon van gedeelde basisaannames.
Artefacten
Het zichtbare niveau van cultuur bij Schein: gebouwen, kleding, logo's, taal en rituelen.
Basisaannames
Het diepste niveau van cultuur bij Schein: onbewuste, vanzelfsprekende overtuigingen.
Normatieve controle
Werknemers sturen door hun ervaringen, gedachten en gevoelens te beïnvloeden in plaats van via regels.
Subcultuur
Een cultuur binnen een organisatie die kan afwijken van of concurreren met de dominante cultuur.
Machtsafstand
Hofstedes dimensie voor de mate waarin minder machtigen een ongelijke verdeling van macht accepteren.
Waarden
Wenselijke, situatieoverstijgende doelen die in belang verschillen en als leidende principes dienen; de prioriteit ligt bij het individu.
Normen
Impliciete of expliciete regels van een groep over passende waarden, overtuigingen en gedragingen; de prioriteit ligt bij de groep.
Zelftranscendentie
Hogere-orde waardetype van Schwartz met universalisme en welwillendheid, tegenover zelfverheffing.
Openheid voor verandering
Hogere-orde waardetype van Schwartz met zelfbepaling en stimulatie, tegenover behoud.
Person-environment misfit
Het niet passen van een persoon bij zijn omgeving, inclusief de sociale context van collega's en groepsnormen.
Seksualiteit (in organisaties)
Seksuele rollen, voorkeur, aantrekkelijkheid en opvattingen over mannelijkheid en vrouwelijkheid op het werk.
Sekse-typering van banen
Het indelen van banen als passend voor mannen of voor vrouwen op basis van genderstereotypen.
Stigmatisering
Het toekennen van bepaalde, meestal negatieve kenmerken aan een persoon of groep, wat kan leiden tot vooroordelen en een vertekend zelfbeeld.
Glass escalator
Het voordeel van mannen in vrouwenberoepen, die als betere leiders worden gezien en sneller stijgen.
Emotionele arbeid
Hochschild: de emotionele controle die werknemers tonen, inclusief niet gevoelde positieve emoties tegenover klanten.
Surface acting
Doen alsof je een emotie voelt; je misleidt anderen maar niet jezelf.
Deep acting
Je gevoel zo bewerken dat je de voorgeschreven emotie echt ervaart; je misleidt ook jezelf.
Esthetische arbeid
Het voorschrijven en managen van het uiterlijk van werknemers voor commercieel voordeel.
Seksuele intimidatie
Ongewenst gedrag van seksuele aard dat de waardigheid aantast of een vijandige, vernederende omgeving schept.
Heteronormativiteit
Het vanzelfsprekend maken van heteroseksualiteit als norm, waardoor andere seksualiteiten afwijkend lijken.
Identiteitsmanagement
Strategieën van LHBT-werknemers rond openheid: counterfeiting, avoidance en integrating (Button).
Loopbaan
De opeenvolging van werkervaringen in de loop van iemands leven.
Duurzame loopbaan
Loopbaanervaringen met patronen van continuïteit in de tijd, door verschillende sociale ruimtes, met individuele agency, die betekenis geven.
Agency
Het vermogen van een persoon om zelf keuzes te maken en te handelen.
Boundaryless career
Een loopbaan die zich over organisatiegrenzen heen beweegt.
Protean career
Een zelfgestuurde loopbaan gebaseerd op eigen waarden.
Subjectief loopbaansucces
Tevredenheid over je loopbaan gemeten aan je eigen waarden en loopbaanankers, in plaats van loon en promotie.
Collectieve waardigheid
Bals alternatief: een loopbaan is alleen duurzaam als ze de intrinsieke waarde van mensen en planeet respecteert.
Responsibilisering
Het verschuiven van verantwoordelijkheid voor uitkomsten van de staat naar het individu.
Capabilities en functionings
Capabilities zijn de reële kansen en vrijheden; functionings zijn wat iemand feitelijk bereikt (Sen en Nussbaum).
Opgesloten zitten in de baan
Ontevreden zijn in je baan en toch inactief blijven door waargenomen beperkte baankansen.
Job crafting
Werknemers die zelf hun baan bijsturen en aanpassen om hun werkvermogen te beschermen.