Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

Begrippen Organisatietheorie

Organisatie
Een samenwerkingsverband van mensen die met passende kennis en middelen samenwerken om een bepaald doel te bereiken. Breder dan ‘bedrijf’: ook scholen, clubs en vakbonden.
Sociaal systeem
Achterbergh en Vriens zien organisaties als sociale systemen: alles gebeurt in interactie tussen mensen, en die interactie is gericht op de vier basisactiviteiten.
Contingentiebenadering
Er is geen universele set managementprincipes; de passende inrichting hangt af van situationele factoren zoals omgeving, technologie en omvang. Kijkt van buiten naar binnen.
Systeembenadering
Een organisatie als geheel van onderling verbonden en afhankelijke onderdelen (input, transformatie, output). Het Nijmeegse organisatiemodel is een systeembenadering.
Primair proces
Het proces dat invoer omzet in de producten en diensten van de organisatie, zoals zorg verlenen of meubels maken.
Operationeel regelen
Verstoringen in het primaire proces voorkomen of opvangen zodat het proces door kan gaan, zoals een afspraak verzetten of een kapot bed repareren.
Stellen van doelen
Doelen voor het primaire proces formuleren en zo nodig aanpassen, over type, kwantiteit, kwaliteit en bijeffecten. Bij Achterbergh en Vriens: strategic regulation.
Zorgen voor voorwaarden
De infrastructuur (HR, technologie, structuur) zo inrichten dat de andere activiteiten goed kunnen verlopen. Bij Achterbergh en Vriens: regulation by design.
Infrastructuur
Het geheel van HR, technologie en structuur op een bepaald moment: de voorwaarden waarmee de basisactiviteiten worden uitgevoerd.
Interactiepremissen
De omstandigheden die bepalen hoe de interacties (basisactiviteiten) verlopen: infrastructuur, cultuur en omgeving.
Bijeffecten
Gevolgen van een organisatie naast haar producten en diensten: positief (werkgelegenheid, kennis) of negatief (vervuiling, stress).
Ontologie
Opvatting over de aard van de werkelijkheid: bestaat die objectief, los van de waarnemer, of wordt ze sociaal geconstrueerd?
Epistemologie
Opvatting over hoe we de werkelijkheid kunnen kennen: algemene wetten of kennis die altijd aan tijd en plaats gebonden is?
Methodologie
De manier waarop kennis in onderzoek wordt gegenereerd, grofweg kwantitatief (surveys, experimenten) of kwalitatief (interviews, observaties).
Axiologie
Het onderliggende doel en de waarden van onderzoek: verklaren, begrijpen, emanciperen of ontwerpen.
Conceptualiseren
Fenomenen benoemen (naming) en in een kader plaatsen (framing) met theoretische concepten. Volgens Cornelissen et al. de kern van theoretiseren.
Verklarend theoretiseren
Gaat uit van één objectieve werkelijkheid en zoekt causale verbanden om uitkomsten te verklaren en te voorspellen, meestal kwantitatief en deductief.
Interpretatief theoretiseren
Ziet de werkelijkheid als sociale constructie en wil begrijpen hoe en waarom betekenissen en handelingen ontstaan, meestal kwalitatief en inductief.
Emancipatoir theoretiseren
Kritische vorm die verborgen machtsstructuren en ongelijkheid blootlegt (deconstrueren en demystificeren) en ter discussie stelt.
Ontwerpkundig theoretiseren
Ziet de werkelijkheid als object van verandering en ontwikkelt geteste design proposities om nieuwe systemen te ontwerpen.
Pluralisme in theoretiseren
Het standpunt van Cornelissen et al. en Romme dat geen vorm van theoretiseren boven de andere staat en dat de vormen elkaar aanvullen.
Design propositie
Een voorlopige ontwerpregel van de vorm ‘om A te bereiken in situatie S, doe D’. Na toetsing in pragmatische experimenten heet ze bij Romme een design rule.
Ideaal doelsysteem
Bij Romme een ideaalbeeld van een systeem dat helpt de huidige situatie te begrijpen en het ontwerpproces richting te geven, zoals het circulaire ontwerp.
Circulair ontwerp (sociocratie)
Organisatieontwerp van Endenburg met een circulaire structuur bovenop de hiërarchie, waarin beleidsbesluiten op basis van consent (geen beargumenteerd bezwaar) worden genomen.
Structuur
De manier waarop taken zijn gedefinieerd en ten opzichte van elkaar zijn gekoppeld. Bestaat uit specialisatie en hiërarchie.
Specialisatie
Het opdelen van het primaire proces in kleinere deeltaken. Hoge specialisatie betekent dat ieder één kleine stap uitvoert.
Hiërarchie
De verdeling van beslissingsbevoegdheden en dus van macht; raakt vooral operationeel regelen, zorgen voor voorwaarden en het stellen van doelen.
Informele structuur
De werkelijke contacten en invloed in een organisatie naast de formele taakverdeling en gezagslijnen.
Bewerkingsgericht (functioneel)
Groepering waarbij medewerkers met dezelfde bewerking bij elkaar zitten en het product of de klant van afdeling naar afdeling gaat.
Ordergebonden (productgericht)
Groepering waarbij een team alle bewerkingen voor één product, order of klantgroep uitvoert, wat de afstemming tussen afdelingen vermindert.
Scientific management
Taylors gebruik van wetenschappelijke methoden (tijd- en bewegingsstudies) om de beste werkwijze vast te stellen, met scheiding van denken en doen.
Fordisme
Toepassing van het taylorisme op de gestandaardiseerde lopende band, met vaste gespecialiseerde taken en controle door managers.
Bureaucratie
Weberiaans ideaaltype met sterke arbeidsdeling, strikte hiërarchie, formalisatie en onpersoonlijke werkrelaties.
Rationeel-legale autoriteit
Gezag op basis van rationeel opgestelde regels; volgens Weber de basis van de bureaucratie, naast charismatische en traditionele autoriteit.
Ideaaltype
Een theoretische, zuivere vorm (zoals Webers bureaucratie) die in de werkelijkheid zelden precies voorkomt.
Sociotechnische structuur
Multidisciplinaire, ordergebonden teams met veel autonomie, waarin denken en doen bij elkaar blijven. Tegenpool van de bureaucratie.
Totalitaire institutie
Doorgeschoten bureaucratie met strikte hiërarchie, voortdurend verticaal en horizontaal toezicht en vrijwel geen persoonlijke vrijheid.
M-structuur
Multidivisionele structuur met centrale diensten en divisies per product of regio; beslissingen gedelegeerd, output centraal gecontroleerd.
Matrixstructuur
Twee structuren over elkaar: dubbele specialisatie en dubbele hiërarchie, zodat medewerkers twee leidinggevenden hebben.
Panopticum
Ontwerp van Bentham waarin bewakers iedereen kunnen zien zonder dat de bewaakten weten wanneer; beeld voor doorgedreven toezicht.
Empowerment
Macht overdragen aan medewerkers via zelfsturende teams en meer autonomie; gaat volgens kritische auteurs vaak samen met nauwer toezicht.
Taakonzekerheid
Bij Galbraith: het aantal uitzonderingen en de analyseerbaarheid van het werk. Hoe hoger, hoe meer informatie tijdens de uitvoering verwerkt moet worden.
Informatieverwerking
De coördinatie tussen mensen in een organisatie, horizontaal en verticaal.
Mechanistisch model
Galbraiths basismodel van coördinatie via regels en procedures, hiërarchie, en doelen en subdoelen. Raakt bij veel onzekerheid overbelast.
Slack resources (buffers)
Extra voorraad, capaciteit of tijd die de behoefte aan informatieverwerking verlaagt, tegen hoge kosten en langere levertijden.
Self-contained tasks
Zelfstandige taakeenheden per product, klant of regio met eigen middelen; verlagen de informatiebehoefte, maar kosten schaalvoordelen.
Verticale informatiesystemen
Formele systemen die kwantitatieve informatie snel naar beslissers brengen en zo de capaciteit voor informatieverwerking verhogen.
Laterale relaties
Verbindingen dwars door de hiërarchie: direct contact, liaisonrollen, taakgroepen, teams, integrerende rollen, linking roles en de matrix.
Liaisonrol
Een medewerker die er formeel de taak bij krijgt om de communicatie tussen twee afdelingen te verzorgen.
Regelcapaciteit
De mate waarin medewerkers zelf mogen bepalen hoe ze aan de eisen van hun werk voldoen. Laag in het mechanistische model, hoog in de sociotechniek.
Configuratie (Mintzberg)
Een samenhangende vorm van de vijf onderdelen plus ideologie, met een dominant onderdeel en coördinatiemechanisme, zoals de machine- of professionele organisatie.
Technostructuur
Bij Mintzberg de analisten die werk standaardiseren; dominant in de machineorganisatie.
Cultuur (Hofstede)
Collectieve mentale programmering die de leden van de ene groep onderscheidt van die van een andere.
Machtsafstand
De mate waarin minder machtige leden van organisaties verwachten en accepteren dat macht ongelijk verdeeld is.
Onzekerheidsvermijding
De mate waarin leden van een cultuur zich bedreigd voelen door onzekere of onbekende situaties.
Individualisme en collectivisme
Individualistisch: losse banden, ieder zorgt voor zichzelf en het naaste gezin. Collectivistisch: hechte groepen die bescherming bieden in ruil voor loyaliteit.
Masculiniteit en femininiteit
Masculien: gescheiden sekserollen en nadruk op assertiviteit en materieel succes. Feminien: overlappende rollen en nadruk op bescheidenheid en kwaliteit van leven.
Organisatiecultuur (Schein)
Een patroon van gedeelde basisveronderstellingen dat een groep heeft geleerd bij externe aanpassing en interne integratie en dat aan nieuwkomers wordt doorgegeven.
Artefacten
Het zichtbare niveau van cultuur bij Schein: gebouwen, kleding, logo’s, rituelen en omgangsvormen.
Uitgesproken waarden
Het middelste niveau bij Schein: normen en overtuigingen die mensen benoemen, bijvoorbeeld in speeches en missieverklaringen.
Basisveronderstellingen
Het diepste niveau bij Schein: onbewuste, vanzelfsprekende wereldbeelden die gedrag sturen; het moeilijkst te zien en te veranderen.
Antenarratief
Bij Boje een verhaalfragment dat zich met andere verhalen verbindt en onderweg is om een organisatieverhaal te worden.
Integratieperspectief
Martins perspectief dat cultuur ziet als consistent, duidelijk en gedeeld met de waarden van de top; negeert subculturen.
Differentiatieperspectief
Martins perspectief dat meerdere subculturen ziet, bijvoorbeeld van beroepsgroepen; risico dat het zelfvervullend is.
Fragmentatieperspectief
Martins perspectief dat cultuur ziet als veranderlijk, partieel en ambigu, eerder een proces dan een stabiel waardesysteem.
7S-model
Model van Peters en Waterman met strategy, structure, systems, skills, staff, style en in het midden shared values.
Simultaneous loose-tight properties
Kenmerk van excellente bedrijven volgens Peters en Waterman: veel autonomie op de werkvloer binnen strak gedeelde kernwaarden.
Corporate culturism
Willmotts term voor de beweging die cultuur behandelt als instrument dat managers kunnen manipuleren voor concurrentievoordeel.
Doublethink
Orwelliaans begrip dat Willmott gebruikt: corporate culturism belooft autonomie en ontkent die tegelijk, omdat autonomie gehoorzaamheid aan bedrijfswaarden wordt.
Culture pragmatists
Bij Willmott de auteurs die de voorschriften van corporate culturism volgen en tegenbewijs negeren; verwant aan ontwerpkundige benaderingen.
Culture purists
Bij Willmott antropologisch geïnspireerde onderzoekers die corporate culturism academisch gebrekkig vinden, maar de morele kant negeren.
Instrumentele rationaliteit
Handelen gericht op het efficiënt bereiken van een gegeven doel. Willmott stelt dat corporate culturism dit uitbreidt ten koste van waarderationaliteit.
Waarderationaliteit
Handelen vanuit een zelf afgewogen waarde. Volgens Willmott ondermijnen monoculturen de ruimte om tussen concurrerende waarden te kiezen.
Technologie (enge en ruime zin)
In enge zin de hardware; in ruime zin het geheel van kennis, processen, hulpmiddelen en apparatuur waarmee input in output wordt omgezet.
Technische complexiteit
Woodwards maat voor technologie, van stuk- en kleinserieproductie via massaproductie naar procesproductie.
Technological imperative
Opvatting dat technologie als objectieve externe kracht de structuur en het gedrag in organisaties bepaalt.
Structuratietheorie
Theorie van Giddens: menselijk handelen wordt mogelijk gemaakt en beperkt door structuren, die zelf het resultaat zijn van eerder handelen.
Dualiteit van technologie
Orlikowski: technologie is zowel een product van menselijk handelen als iets wat dat handelen mogelijk maakt en beperkt.
Interpretatieve flexibiliteit
Orlikowski: mensen kunnen dezelfde technologie verschillend interpreteren en gebruiken, binnen grenzen van materiaal, context en macht.
Autonomieparadox
Mazmanian et al.: professionals gebruiken mobiele e-mail om autonomie te winnen, maar beperken door collectieve escalatie van bereikbaarheid hun eigen autonomie.
Verticaal en horizontaal toezicht
Sewell: toezicht van leidinggevende op ondergeschikte (verticaal) of van collega’s op elkaar in teams (horizontaal).
Concertive control
Horizontale controle in teams (Barker): verantwoordelijkheid voor teamgenoten zet mensen aan hard te werken en elkaar te corrigeren.
Algoritmisch toezicht
Newlands: toezicht waarbij een algoritme gegevens verzamelt, gedrag beoordeelt en werk toewijst, in plaats van een menselijke leidinggevende.
Cartografische dissonantie
Newlands: de kloof tussen de werkelijke, lichamelijke ervaring van werkenden en het abstracte digitale landschap waarop het platform beslist.
Structurering van activiteiten
Aston-dimensie: de mate van standaardisatie, formalisatie en specialisatie.
Concentratie van beslissingsmacht
Aston-dimensie: de mate van centralisatie van besluitvorming.
Isomorfisme
Het proces waardoor organisaties in een veld op elkaar gaan lijken, volgens DiMaggio en Powell eerder gelijkvormiger dan efficiënter.
Institutioneel veld
Organisaties die samen een herkenbaar gebied van het maatschappelijk leven vormen: leveranciers, afnemers, toezichthouders en vergelijkbare aanbieders.
Dwingend isomorfisme
Gelijkvormigheid door druk van partijen waarvan een organisatie afhankelijk is, zoals wetten en regels van de overheid.
Mimetisch isomorfisme
Gelijkvormigheid door het nadoen van organisaties die als succesvol en legitiem gelden, vooral bij onzekerheid.
Normatief isomorfisme
Gelijkvormigheid door de invloed van professies: opleiding, socialisatie en beroepsnetwerken.
Ontkoppeling (decoupling)
Meyer en Rowan: formele structuren worden aangenomen voor legitimiteit, maar staan los van de dagelijkse praktijk.
Mechanisch en organisch
Burns en Stalker: mechanische structuren (formeel, centraal, gespecialiseerd) passen bij stabiliteit, organische (informeel, decentraal, veel overleg) bij turbulentie.
Managementconcept
Een voorschrijvende visie op een aspect van management met een herkenbaar label, zoals Lean of Agile.
Logic of appropriateness
Handelen vanuit de vraag wat past bij je rol en de situatie, in plaats van vanuit de verwachte uitkomst (logic of consequence). Kern van Wilhelm en Bort.
Modern HRM
Het doelgericht managen van personeel zodat de organisatie haar doelen haalt, proactief en afgeleid van de strategie.
Strategisch HRM
HRM dat zich richt op de bijdrage van personeelsbeleid aan de prestaties van de organisatie, in samenhang met de strategie.
Strategische (verticale) fit
De afstemming tussen HR-praktijken en de concurrentiestrategie van de organisatie.
Best practice en best fit
Best practice: sommige HR-praktijken werken overal. Best fit: de effectiviteit van HR-praktijken hangt af van de context en strategie.
Resource-based view
Inside-out opvatting: interne middelen die waardevol, schaars, moeilijk te imiteren en niet te vervangen zijn, vormen de basis voor duurzaam voordeel.
AMO-theorie
Prestaties en leren hangen af van abilities (kunnen), motivation (willen) en opportunity (de gelegenheid krijgen).
Hard en soft HRM
Hard HRM benadrukt controle en de match tussen mens en taak (Theory X); soft HRM benadrukt ontplooiing, teamwerk en autonomie (Theory Y).
Predictieve validiteit
De mate waarin een selectie-instrument latere prestaties voorspelt; het gestructureerde interview scoort het hoogst (0,42).
Competentie
Een waarneembare eigenschap in de vorm van toegepaste kennis of gedrag die bijdraagt aan succesvol functioneren in een rol.
Employer branding
Het promoten van de organisatie als aantrekkelijke werkgever.
Realistic job preview
In de werving zowel de positieve als de negatieve kanten van de functie tonen, wat een sterker psychologisch contract en minder verloop geeft.
Totale beloning
Alle vormen van beloning samen: direct en indirect financieel, en relationeel (erkenning, werkzekerheid, leerkansen, uitdagend werk).
Organisationeel leren
Het proces waarbij mensen kennis ontwikkelen en delen in organisaties, waardoor nieuwe eigenschappen van de organisatie ontstaan.
Absorptive capacity
De mate waarin een organisatie nieuwe kennis kan herkennen en verwerken.
Impliciete (tacit) kennis
Persoonlijke, moeilijk overdraagbare kennis uit ervaring en intuïtie, te delen via observatie en socialisatie.
Expliciete kennis
Gestructureerde, makkelijk overdraagbare kennis die op schrift of digitaal kan worden vastgelegd.
Exploitatie
Incrementele innovatie: bestaande kennis en processen verbeteren en verfijnen (March).
Exploratie
Radicale innovatie: geheel nieuwe kennis creëren via zoeken, experimenteren en risico nemen (March).
Ambidextere organisatie
Een organisatie die exploitatie en exploratie combineert door ze van elkaar te scheiden.
Single-loop leren
Reactief leren: acties aanpassen binnen bestaande normen en doelen (Argyris en Schön).
Double-loop leren
Veranderingsleren: ook de onderliggende normen, doelen en aannames ter discussie stellen.
Triple-loop leren
Deutero-leren: leren over hoe de organisatie leert en dat leerproces verbeteren.
Innovatie
Het implementeren van een nieuw of aanzienlijk verbeterd product, dienst of manier van werken.
Innovation journey
Van de Ven en collega’s: innovatie als complex, niet-lineair proces van initiatie, ontwikkeling en implementatie.
Open innovatie
Chesbrough: innoveren met behulp van externe kennisbronnen zoals gebruikers, leveranciers, universiteiten en zelfs concurrenten.
Disruptieve technologie
Christensen: technologie die eerst slechter presteert dan bestaande producten, maar later de markt overneemt; gevestigde bedrijven missen haar vaak.
Creatieve destructie
Schumpeter: innovaties komen in golven en verdringen de vorige, zichtbaar in opeenvolgende S-curves.
Unfreeze, move, refreeze
Lewins driestappenmodel: het bestaande evenwicht verstoren, via actieonderzoek veranderen en het nieuwe gedrag stabiliseren.
Actieonderzoek
Lewins aanpak van verandering in een cirkel van plannen, handelen en onderzoeken wat de acties opleverden.
Synoptische benadering
Verandering van buitenaf bekeken als afgerond voorval tussen twee toestanden, meestal als fasemodel.
Organizational becoming
Tsoukas en Chia: verandering is de normale toestand en organisatie is een secundaire prestatie die uit verandering voortkomt.
Bounded rationality
Begrensde rationaliteit: beslissers willen rationeel zijn, maar worden beperkt door cognitie, tijd en informatie (March en Simon).
Satisficing
Kiezen voor de eerste bevredigende oplossing uit een beperkte set alternatieven in plaats van de optimale.
Garbage can model
Besluiten als toevallige samenloop van los gekoppelde stromen: oplossingen, deelnemers, problemen en keuzemomenten.
Programmeerbare besluiten
Routinematige beslissingen die met regels en richtlijnen kunnen worden genomen, in tegenstelling tot nieuwe, complexe niet-programmeerbare besluiten.
Macht (Dahl)
A heeft macht over B als A iets doet waardoor B iets doet wat B anders niet zou doen.
Dominantie (Weber)
Een situatie waarin ondergeschikten de legitimiteit van het gezag niet erkennen, in tegenstelling tot autoriteit.
Strategische contingentietheorie
Crozier: macht komt voort uit het vermogen om voor de organisatie essentiële onzekerheden te beheersen, als niemand anders dat kan.
Resource dependence
Pfeffer en Salancik: afhankelijkheid van de omgeving schept onzekerheid en daarmee kansen op macht; organisaties reageren met adaptatie of dominantie.
Legitimiteit
Suchman: de algemene opvatting dat het handelen van een entiteit wenselijk, juist of gepast is binnen een sociaal systeem.
Organisatieconflict
Conflict dat voortkomt uit werkelijke of ervaren tegengestelde waarden, behoeften en belangen tussen mensen die samenwerken.
Soft domination
Clegg en Courpasson: subtiele mechanismen zoals loopbanen, beloning en status die gehoorzaamheid bevorderen en het centrale gezag versterken.
Totale institutie
Goffman: organisatie met constant toezicht en insluiting, een monopolie over haar leden en afsnijding van de samenleving.