HC 11: Doem
Hoe denken wetenschappers en filosofen over de kans dat de mens uitsterft? Dit college bespreekt het idee dat er misschien te veel mensen zijn, antinatalisme, het verschil tussen antropocentrisme als feit en als wensbeeld (Hamilton), het doemsdagargument, het pessimisme van Benatar tegenover het optimisme van Pinker, en de begrippen antropodicee en antroponomie. De stof komt uit het hoofdstuk "Doem" uit Extinctie van Ten Bos.
Het probleem van het antropoceen: te veel mensen?
De filosoof Emil Cioran (1911-1995) beschreef leven als een tragische opstand in het anorganische, materie die door lijden is opgeschud, en het doodsverlangen als de wil om naar de rust van de materie terug te keren. Dat sombere uitgangspunt sluit aan bij een gedachte die in het antropoceen opkomt: er zijn te veel mensen. Misschien zou het goed zijn te streven naar minder mensen, of radicaler: helemaal geen mensen. Opvallend is hoe serieus daarover niet alleen in de filosofie maar ook in de wetenschap wordt nagedacht.
Het gedachte-experiment van de octopus
Het college gebruikt de vierogige rifoctopus als "lichtend voorbeeld" in een gedachte-experiment: een dier dat te oud is, zich niet meer kan voortplanten, door zijn groei een hindernis voor soortgenoten wordt, en daarom uit het leven stapt. Zou de mens als soort zich zo moeten gedragen?
Het absurde van dit experiment:
- Elk leven streeft ernaar zichzelf te behouden.
- Volgens Hans Jonas (1903-1993) kan niets onverschillig zijn tegenover het eigen bestaan. Sterker: het goede is juist de afwezigheid van die onverschilligheid.
- Conclusie: de gedachte van een deugdzame zelfvernietiging is vreemd aan onze ethische traditie. En toch staat ze helemaal terug op de agenda.
Antinatalisme
Antinatalisme is de opvatting dat het moreel beter is geen kinderen te krijgen. Het hoofdstuk stelt er drie vragen bij:
- Kunnen wij ons als mensen ondergeschikt maken aan een belang dat niet primair ons eigenbelang is?
- Het gevaar van arrogantie: hoe belangrijk moet je jezelf vinden om te verkondigen dat je jezelf niet zo belangrijk moet vinden?
- Zijn wij in de geschiedenis van de mensheid de eerste of de laatste mensen?
Clive Hamilton: antropocentrisme als feit en als wensbeeld
- Dat we als soort dominant zijn, is een feit dat niet te bestrijden valt.
- De gedachte dat het zo hoort te zijn (antropocentrisme als wensbeeld) kunnen we wel bestrijden.
- Hamilton zegt paradoxaal dat we in zekere zin niet antropocentrisch genoeg zijn: we onderschatten nog steeds onze impact op de planeet.
De aporie van het succes
Als we als soort zo succesvol zijn, waarom zouden we dan de doodsklok over onze soort luiden? De glorie van een soort meet je af aan haar verspreiding en haar voortbestaan, en op beide punten scoort de mens uitzonderlijk. Toch spreken sommige wetenschappers over het einde van de mens of over geboortebeperking. Dat is een aporie.
Het doemsdagargument
De natuurkundige Brandon Carter (geb. 1942) en de filosoof John Leslie (geb. 1940) formuleerden het doemsdagargument: hoe waarschijnlijk is het dat wij tot de laatste mensen behoren en dat we zullen uitsterven? Het argument is wiskundig (een kansredenering) en niet op empirie gebaseerd.
Stel dat je niet weet hoeveel mensen er in totaal ooit zullen leven. Je weet alleen dat jij ongeveer de honderdmiljardste mens bent. Als je jezelf als een willekeurige mens uit de hele geschiedenis beschouwt, is het onwaarschijnlijk dat je heel vroeg in de rij staat. Daarom is het waarschijnlijker dat het totale aantal mensen niet extreem veel groter is dan het aantal dat al geleefd heeft. Het argument is omstreden, maar het doel is niet voorspellen: het wil ons laten nadenken over de vraag of we niet overschatten hoe waarschijnlijk het is dat er nog miljarden of triljarden mensen na ons komen.
Het hoofdstuk zegt dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat we vroege mensen zijn. De bedoeling van die opmerking is het optimisme over de toekomst van de mens op de planeet en in het universum wat te temperen. Het gaat dus niet om het verzekeren van ons voortbestaan of om een waarschuwing voor het uitsterven van al het leven. Dit was een oefenvraag.
Twee scenario's: Pinker en Benatar
| Pinker-scenario | Benatar-scenario | |
|---|---|---|
| Wie | Steven Pinker (geb. 1954), psycholoog | David Benatar (geb. 1966), filosoof |
| Diagnose | Er is geen reden om pessimistisch te zijn: het gaat in bijna alle opzichten beter met de mens (minder geweld, armoede, ziekte). | Hij somt de verschrikkelijkste cijfers op: in alle opzichten gaat het bergafwaarts. |
| Kritiek op | Het groene geloof, dat hij misantropisch noemt, op het fascistische af. | Het optimisme, dat hij gelijkstelt aan cynisme. |
| Het grote kwaad van onze tijd | Het pessimisme | Het optimisme |
De filosofische vraag die het college stelt: is pessimisme consequent vol te houden? Wie echt pessimistisch is, zou geen reden hebben om te schrijven, te overtuigen of te handelen.
Antropodicee
Antropodicee is een kofferwoord gebouwd naar het model van de theodicee. De theodicee vraagt of het bestaan van God te rechtvaardigen is als er zoveel kwaad gebeurt. Dike betekent rechtvaardigheid (vergelijk college 4). De antropodicee vraagt: is het bestaan van de mens te rechtvaardigen als deze soort zoveel ellende veroorzaakt? Benatar en Cioran gaan nog verder met een biodicee: is het leven zelf te rechtvaardigen als er zoveel leed is? Of moet je spreken van een pathodicee (rechtvaardiging van het lijden)?
Antroponomie
Een kernzin uit het hoofdstuk: alleen als de mens de plaats van God inneemt, kan zijn bestaan gerechtvaardigd worden. De analyse dat we in het antropoceen leven, veronderstelt volgens Ten Bos antroponomie: de toekenning van een collectieve zedelijkheid aan de mens. Je kunt niet concluderen dat de mens verantwoordelijk is voor de planeet als je er niet van uitgaat dat de mens een moreel lovenswaardig wezen is dat van zijn fouten kan leren.
- Antroponomie zegt: we kunnen de dingen beter maken, of we hebben in elk geval de morele plicht om te doen alsof we de dingen beter kunnen maken.
- De pessimist verafschuwt dit alsof-denken. Hier zie je de lijn naar het alsof bij Kant (college 2) en Habermas (college 3).
Casus: een bedrijf dat "geen kinderen" promoot
Stel dat een reisorganisatie adverteert met "child-free" vakanties en een campagne voert met het argument dat minder kinderen beter is voor het klimaat. Met dit college analyseer je: de redenering is antinatalistisch en loopt het risico van arrogantie (wie bepaalt dat anderen minder belangrijk zijn?). Hans Jonas zou zeggen dat zelfvernietiging als deugd vreemd is aan onze ethische traditie. Hamilton zou erop wijzen dat het niet om het aantal mensen gaat maar om onze onderschatte impact. En de campagne veronderstelt antroponomie: ze gaat ervan uit dat mensen moreel kunnen kiezen om het beter te doen, wat de echte pessimist juist afwijst.
- Te veel mensen, het octopusexperiment en de absurditeit ervan (Hans Jonas: niets is onverschillig tegenover het eigen zijn).
- Antinatalisme en de drie vragen (eigenbelang, arrogantie, eerste of laatste mensen).
- Hamilton: antropocentrisme als feit versus wensbeeld; we zijn niet antropocentrisch genoeg.
- Doemsdagargument (Carter, Leslie): wiskundig; doel is het optimisme temperen. Niet vanzelfsprekend dat we vroege mensen zijn.
- Pinker (kwaad = pessimisme) versus Benatar (kwaad = optimisme); is pessimisme consequent vol te houden?
- Antropodicee, biodicee, pathodicee; antroponomie als collectieve zedelijkheid en alsof-denken dat de pessimist verafschuwt.
Andere hoofdstukken van Bedrijfsethiek
- HC 1: Filosoferen over management
- HC 2: Beslissen
- HC 3: Belanghebbenden
- HC 4: Rechtvaardigheid
- HC 5: Leiderschap
- HC 6: Maatschappelijk verantwoord ondernemen
- HC 7: Globalisering
- HC 8: Duurzaamheid
- HC 9: Het antropoceen
- HC 10: Drempelkunde en biodiversiteitsverlies
- HC 12: Waarschijnlijkheid
- HC 13: Het volk in de grot