HC 1: Inleiding, keuzes en opportunity costs
Het eerste college legt het fundament van het hele vak: hoe denkt een econoom? Economie gaat over keuzes. Middelen zijn schaars, dus elke keuze voor iets is een keuze tegen iets anders. Wie dat goed begrijpt, kan uitrekenen wat een keuze echt kost (opportunity costs), welke keuze de beste is (economic rents), welke kosten je moet negeren (sunk costs) en hoeveel je van iets moet doen (marginale analyse). Deze begrippen komen in de meerkeuzevragen van het eerste tentamendeel bijna altijd terug, vaak als rekenvraag met concertkaartjes, een laptop of kopjes koffie.
- Schaarste. Tijd, geld, grondstoffen en arbeid zijn beperkt, terwijl wensen dat niet zijn. Daardoor moet er gekozen worden.
- Resources (productiemiddelen). Alles wat gebruikt wordt om waarde te maken: arbeid, kapitaal, kennis, grond, tijd. Ze kunnen op verschillende manieren en voor verschillende doelen worden ingezet.
- Trade-off. Een afruil: meer van het een betekent minder van het ander.
- Marginaal. Betekent in de economie steeds: "één extra eenheid". Marginale kosten zijn de kosten van één extra product, marginale opbrengsten de opbrengst van één extra product.
Waar gaat economie over?
Economie bestudeert (economische) interactie en het scheppen van waarde, nu en in de toekomst. De vraag "wat is waarde?" is minder simpel dan ze lijkt. Het bruto binnenlands product (bbp) meet de totale productie en het totale inkomen van een land, maar mist veel van wat mensen belangrijk vinden, zoals vrije tijd, gezondheid of vrijheid. Daarom wordt naast het bbp ook over brede welvaart gesproken.
Opvallend is dat economische groei historisch gezien een jong verschijnsel is. Eeuwenlang bleef het gemiddelde inkomen nagenoeg gelijk; pas vanaf ongeveer 1600 tot 1700 begon de welvaart in delen van de wereld structureel te stijgen. Een bekende gedachte die in het college werd aangehaald: armoede hoeft niet verklaard te worden, want dat is het beginpunt. De echte vraag is wat welvaart veroorzaakt.
Welvaart is productiviteit, en productiviteit komt uit prikkels
Welvaart is in de kern productiviteit: de verhouding tussen de waarde die wordt gecreëerd en de kosten van de resources die daarvoor nodig zijn. Zowel "waarde" als "kosten" moet je breed opvatten. Economische groei is dan productiviteitsgroei: resources efficiënter inzetten.
Innovatie, kennis, specialisatie, globalisering, automatisering, schaalvoordelen en ondernemerschap zijn volgens het college symptomen van productiviteitsgroei. De fundamentele oorzaak is een stelsel van prikkels. In een economisch succesvolle samenleving zorgt het institutionele systeem ervoor dat het in iemands eigenbelang is om in het collectieve belang te handelen. De bescherming van private eigendomsrechten was daarin de doorbraak: wie zeker weet dat de opbrengst van een investering niet wordt afgepakt, heeft een reden om te investeren, te ondernemen, te innoveren en te leren.
Prijzen spelen daarbij een sleutelrol. Ze geven informatie en sturen zo gedrag: een hoger loon voor hoogopgeleiden is bijvoorbeeld een prikkel om te gaan studeren.
Het economische probleem
Iedere samenleving moet drie vragen beantwoorden:
- Wat (en hoeveel) moet er worden geproduceerd?
- Hoe moet dit worden geproduceerd?
- Wie krijgt de geproduceerde goederen en diensten?
In een markteconomie worden deze vragen grotendeels beantwoord door prijzen, en dan vooral door relatieve prijzen (de prijs van het een ten opzichte van het ander). Omdat resources op verschillende manieren kunnen worden ingezet, is elke keuze een trade-off. Economie zoekt de meest effectieve en efficiënte manier om de beschikbare resources in te zetten om een doel te bereiken.
De economie als geheel is de optelsom van alle individuele keuzes van personen en bedrijven. Mensen wegen de kosten en opbrengsten van hun keuzes af en verwachten na de keuze beter af te zijn. De traditionele economie gaat daarbij uit van rationeel en optimaliserend gedrag. Tegenwoordig is er veel aandacht voor bounded rationality (beperkte rationaliteit) en cognitive biases (denkfouten), die in HC 9 terugkomen. Overheden proberen keuzes te beïnvloeden met prikkels.
Opportunity costs: er bestaat geen gratis lunch
De beroemde uitspraak "there is no such thing as a free lunch" betekent dat iets wat gratis lijkt, toch kosten heeft: de tijd die je eraan besteedt had je ook anders kunnen gebruiken. Wat je opgeeft, is de echte prijs van je keuze.
Opportunity costs (opofferingskosten) zijn de netto waarde van je beste alternatief, dus van je tweede keuze. De netto waarde is de waarde van die tweede keuze min de expliciete kosten van die tweede keuze.
Let op: de twee studieboeken gebruiken een iets andere definitie. Principles of Microeconomics telt bij de opportunity costs ook de expliciete kosten van de keuze zelf op. The Economy rekent alleen de impliciete kosten (de gemiste netto waarde van keuze 2). Dit vak volgt The Economy. De uitkomst van "welke keuze is de juiste" verandert daar niet door, alleen het bedrag dat je "opportunity costs" noemt.
Een uur sportschool kost €6. Je bent bereid maximaal €15 te betalen. Door te gaan sporten, werk je een uur minder als huiswerkbegeleider, wat €7 per uur oplevert.
- Volgens The Economy (dit vak): opportunity costs = €7 (de gemiste netto waarde van werken).
- Volgens Principles: €6 expliciet + €7 impliciet = €13.
In beide gevallen is sporten de goede keuze: de waarde (€15) is hoger dan de economische kosten (€13).
Expliciete, impliciete en economische kosten en economic rents
Voor elke keuze kijk je naar drie dingen:
- de waarde van de keuze (nut, welvaart, geluk; in de opgaven meestal de maximale betalingsbereidheid);
- de expliciete kosten: wat de keuze in geld kost;
- de impliciete kosten: wat je ervoor moet opgeven. Impliciete kosten zijn dus de opportunity costs.
De juiste keuze is de keuze waarvan de waarde hoger is dan de economische kosten, dus met een positieve economic rent. Bij twee opties is de economic rent van de ene precies het tegengestelde van die van de andere: als de ene +20 heeft, heeft de andere −20.
Je wint een gratis, niet overdraagbaar kaartje voor Adele en waardeert dat concert op €60. Op dezelfde avond speelt Rihanna (kaartje €60, je betalingsbereidheid €80). Overige kosten zijn gelijk.
| Adele | Rihanna | |
|---|---|---|
| Waarde | €60 | €80 |
| Expliciete kosten | €0 | €60 |
| Impliciete kosten (netto waarde van de andere optie) | €80 − €60 = €20 | €60 − €0 = €60 |
| Economische kosten | €20 | €120 |
| Economic rent | €60 − €20 = +€40 | €80 − €120 = −€40 |
Je kiest Adele, met een economic rent van €40. De opportunity costs van Adele zijn €20.
Variant: je kunt het Adele-kaartje verkopen voor €50. Dan is "naar Adele gaan" hetzelfde als "het kaartje niet verkopen": je geeft €50 op, dus de expliciete kosten van Adele worden €50. Economische kosten Adele = 50 + 20 = €70, rent = 60 − 70 = −€10. Rihanna: de netto waarde van Adele is nu 60 − 50 = €10, economische kosten = 60 + 10 = €70, rent = 80 − 70 = +€10. Nu kies je Rihanna.
Variant: je hebt het Adele-kaartje zelf gekocht voor €50 en kunt het niet doorverkopen. Die €50 komt nooit meer terug, het is een sunk cost. De situatie is daarmee gelijk aan het gratis kaartje: je kiest Adele met een rent van €40.
Je bod van €1200 op een laptop (maximaal wilde je €1300 betalen) wordt geaccepteerd als je hem vanavond ophaalt. Vanavond is ook een festival: kaartje €50, waarde voor jou €130.
- Opportunity costs van het festival = netto waarde laptop = 1300 − 1200 = €100.
- Economische kosten laptop = 1200 + (130 − 50) = €1280; rent laptop = 1300 − 1280 = +€20. Festival: 50 + 100 = 150, rent = 130 − 150 = −€20. Je koopt de laptop.
- Had je het festivalkaartje al gekocht (niet verkoopbaar), dan is die €50 sunk. Festival: kosten 0 + 100, rent = +€30; laptop: 1200 + 130 = 1330, rent −€30. Nu ga je naar het festival.
- Kun je het kaartje nog voor €35 verkopen, dan zijn de expliciete kosten van het festival €35. Festival: 35 + 100 = 135, rent −€5; laptop: 1200 + (130 − 35) = 1295, rent +€5. Je koopt de laptop.
Sunk costs (gezonken kosten)
Sunk costs zijn kosten die niet (geheel) kunnen worden teruggedraaid. De sunk cost fallacy is de denkfout om ze toch mee te laten wegen in een besluit. Mensen doen dat omdat gezonken kosten aanvoelen als verlies; ze raken onze emoties. De vuistregels:
- Kosten die je niet meer terugkrijgt, neem je niet mee in je afweging.
- Het deel dat je wél kunt terughalen (bijvoorbeeld door door te verkopen), neem je mee als expliciete kosten van de optie die dat terughalen onmogelijk maakt.
Een Android-app vraagt software van €5.000 en levert €12.000 op. Een iOS-app levert €13.000 op en kan met software waarvoor je al een licentie hebt (waarde €8.000).
- Is de licentie niet verkoopbaar, dan is ze sunk. iOS: economische kosten = 0 + (12.000 − 5.000) = 7.000, rent = 13.000 − 7.000 = +6.000. Kies iOS.
- Kun je de licentie voor €8.000 verkopen, dan kost iOS expliciet €8.000. iOS: 8.000 + 7.000 = 15.000, rent = −2.000. Android: 5.000 + (13.000 − 8.000) = 10.000, rent = 12.000 − 10.000 = +2.000. Kies nu Android.
Opportunity costs zijn breed toepasbaar: op consumptie, investeringen, productie, bedrijfsstrategie en overheidsbeleid, maar ook op studiekeuze, een baan of een relatie. In de werkgroep werd er bijvoorbeeld mee verklaard waarom hoogopgeleide vrouwen gemiddeld minder kinderen krijgen: het inkomen dat ze mislopen door voor kinderen te zorgen is hoger, dus de impliciete kosten van kinderen zijn hoger. Ook de waarde van vrije tijd of van geredde levens kun je met opportunity costs in geld uitdrukken, via "revealed preferences": voor welk bedrag geven mensen vrije tijd op, of welke economische schade accepteert een samenleving per gered levensjaar (QALY)?
Marginale analyse: hoeveel dan?
Opportunity costs vertellen welke keuze optimaal is als er meerdere mogelijkheden zijn. De volgende vraag is hoeveel je van iets moet kopen, produceren of doen. Daarvoor gebruik je marginale analyse:
- Marginale opbrengsten (MO): wat levert één extra eenheid op?
- Marginale kosten (MK): wat kost één extra eenheid?
Die zijn meestal niet constant. Vaak neemt de marginale opbrengst af (het tweede kopje koffie is minder lekker dan het eerste) en nemen de marginale kosten op enig moment toe. Het meest efficiënte punt ligt waar MO = MK. Werk je met hele eenheden, dan neem je het punt dat daar het dichtst bij ligt zolang MO ≥ MK: je doet de laatste eenheid nog die meer oplevert dan ze kost.
Het geluk per kopje koffie (in euro's) is 5; 4,5; 4; 3,5; 3; 2; 1. Kost een kopje €3,20, dan drink je er 4: het vierde levert 3,5 op en kost 3,20, het vijfde zou 3 opleveren maar 3,20 kosten. Kost een kopje €1,50, dan drink je er 6.
Elk uur kost €10. Het eerste uur waardeer je op €17 en elk volgend uur €3 minder: 17, 14, 11, 8. Je traint 3 uur: het derde uur levert 11 op en kost 10 (netto +1); een vierde uur levert 8 op en kost 10 (netto −2).
De eerste 10 tafels kosten elk €3.000; elke volgende tafel kost €250 meer dan de vorige. De 15e tafel kost dus €4.250 en de 16e €4.500. Bij elke prijs vanaf €4.250 tot net onder €4.500 is 15 tafels optimaal. Onder €4.250 maak je de 15e niet; vanaf €4.500 maak je ook de 16e.
Bij een bedrijf dat de marktprijs niet kan beïnvloeden is de marginale opbrengst gelijk aan de prijs (een horizontale lijn). De marginale kostencurve daalt vaak eerst en stijgt daarna. Het winstmaximaliserende punt ligt waar de stijgende MK-lijn de prijslijn snijdt. Net vóór dat punt is MO > MK (een extra product verhoogt de winst), net erna is MO < MK (een extra product verlaagt de winst). Let op: voorbij dat punt kan de totale winst nog steeds positief zijn, maar ze is dan niet meer maximaal. Krijg je in een opgave totale kosten, reken dan eerst de marginale kosten uit als het verschil tussen twee opeenvolgende totalen.
Ook beleid kun je zo analyseren. Een hogere inkomstenbelasting verlaagt het netto uurloon, dus de marginale opbrengst van een extra uur werken. De marginale kosten (de waarde van een uur vrije tijd) blijven gelijk, dus het optimale aantal uren ligt lager.
Prijzen, prikkels en onbedoelde gevolgen
In een markteconomie wordt het economische probleem deels opgelost via markten en relatieve prijzen. Prijzen vertellen organisaties en personen wat en hoe er geproduceerd moet worden. Het grote probleem van publieke voorzieningen is dat er geen prijs is, zodat de waarde onbekend blijft.
Overheden vinden vaak dat keuzes moeten worden bijgestuurd. Ze gebruiken daarvoor prikkels: accijns, boetes, subsidies, prijzen en nudging. Ook bedrijven doen dat, bijvoorbeeld met bonussen. Prikkels kunnen echter onbedoelde gevolgen hebben:
- Het cobra-effect: een beloning per gevangen cobra leidde ertoe dat mensen cobra's gingen fokken; toen de beloning stopte, werden ze losgelaten en waren er meer slangen dan eerst.
- Kinderopvang in Israël: een boete voor te laat ophalen maakte te laat komen juist vaker. De boete veranderde een sociale norm in een prijs die ouders met een gerust geweten betaalden.
- Mao's mussen: de campagne om mussen uit te roeien (omdat ze graan aten) leidde tot een insectenplaag en mislukte oogsten.
- Hypotheekrenteaftrek: bedoeld om huizenbezit te stimuleren, maar het verhoogt ook de prijs van huizen.
- Gebruik de definitie van The Economy: opportunity costs zijn alleen de netto waarde van de tweede keuze. Economische kosten = expliciet + impliciet; economic rent = waarde − economische kosten.
- Sunk costs tellen niet mee; wat je nog kunt terugkrijgen (doorverkoop) telt mee als expliciete kosten.
- Werk bij keuzevragen altijd beide opties uit in een tabel; de rents zijn elkaars tegengestelde, dat is een goede controle.
- Marginale analyse: neem de laatste eenheid waarvoor MO ≥ MK. Reken uit totale kosten eerst de marginale kosten uit.
- Kun je uitleggen waarom prikkels werken en waarom ze onbedoelde gevolgen kunnen hebben? Een voorbeeld noemen helpt.
Andere hoofdstukken van Economie voor Bedrijfskunde
- HC 2: Specialisatie, handel en markten
- HC 3: Vraag, aanbod, welvaart en overheidsingrijpen
- HC 4: Marktfalen en de wereldeconomie
- HC 5: Markten, organisaties en informatie
- HC 6: Speltheorie
- HC 7: Transactiekosteneconomie
- HC 8: Agency theory en corporate governance
- HC 9: Behavioral Theory of the Firm
- HC 10: Competitive en corporate strategy
- HC 11: Fusies, overnames en FDI
- HC 12: Hybride vormen en evolutionaire economie