HC 7: Transactiekosteneconomie
Als markten zo goed zijn in coördineren, waarom bestaan er dan bedrijven? En waarom niet één groot bedrijf? Dit zijn de vragen van de transactiekosteneconomie (TCE), het belangrijkste perspectief van het tweede tentamendeel. Het antwoord van Coase: het gebruik van de markt kost iets, namelijk transactiekosten. Williamson werkte uit waar die kosten vandaan komen: uit de angst voor opportunistisch gedrag, die groter is naarmate een transactie vaker voorkomt, onzekerder en complexer is en vooral specifieke investeringen vraagt. Je moet de "make or buy"-beslissing van een bedrijf kunnen analyseren met de drie critical dimensions en de begrippen lock-in en hold-up.
Instituties: de spelregels van de economie
Markten functioneren niet vanzelf; er zijn spelregels nodig. Die heten instituties, door North (1991) gedefinieerd als door mensen bedachte beperkingen die politieke, economische en sociale interacties structureren. Het gaat om formele regels (eigendomsrechten, patenten, het rechtssysteem, regulering) en informele regels (normen, waarden, gebruiken). Verschillen in instituties tussen landen leiden tot verschillen in optimale governance structuren en in prestaties, en tot "institutionele comparatieve voordelen".
Het college vatte de redenering zo samen:
Welvaart hangt af van productiviteit (Adam Smith), productiviteit van specialisatie, specialisatie kan alleen met transacties, het aantal transacties hangt af van de transactiekosten, en die worden bepaald door de institutionele omgeving. Coase zei over de neoklassieke economie dat ze de bloedsomloop bestudeert maar het lichaam negeert.
Make or buy
Een bedrijf moet voor alles wat het gebruikt (materiaal, kapitaal, kennis, werknemers, diensten) kiezen:
- make: zelf maken, de transactie internaliseren (het bedrijf wordt groter);
- buy: op de markt kopen, uitbesteden aan andere bedrijven.
Dat lijkt simpel: kost zelf maken €15 en kopen €10, dan koop je. Maar stel dat die €15 bestaat uit €8 vaste en €7 variabele kosten en de capaciteit niet anders te gebruiken is. Dan zijn de vaste kosten sunk en kost een extra eenheid zelf maken maar €7, minder dan €10. Of stel dat er grote onzekerheid is over de benodigde hoeveelheid, dat de leverancier marktmacht heeft, of dat je eerst moet investeren om het gekochte product in te passen. Er spelen dus veel factoren, en de keuze is niet simpel.
De make-or-buy beslissing correspondeert met twee uiterste governance structures: de markt (buy) en de organisatie of hiërarchie (make). Daartussen liggen hybride vormen (HC 12). Er zijn twee hoofdvragen:
- Wanneer is welke governance structure optimaal: wanneer gebruik je de markt en wanneer internaliseer je?
- Hoe groot moet de organisatie zijn: hoeveel verschillende transacties internaliseer je?
Internaliseren van opeenvolgende stappen in de productieketen heet verticale integratie.
Coase: The Nature of the Firm
Op de markt worden transacties gecoördineerd door prijzen; binnen een organisatie worden ze vervangen door coördinatie via de manager. Coase (1937) vroeg zich af: als markten zo efficiënt zijn en specialisatie de productiviteit verhoogt, waarom zien we dan verticale integratie? Zijn antwoord: er zijn, naast de prijs, kosten verbonden aan het gebruik van de markt. Dat zijn de transactiekosten, samen te vatten als de 3 C's:
- Contact: kosten van het vinden van de juiste prijs, leverancier of klant (zoek- en informatiekosten).
- Contract: kosten van onderhandelen en het opstellen en ondertekenen van het contract.
- Control: kosten van het handhaven van het contract: gedrag monitoren, conflicten oplossen, en de kosten die voortkomen uit opportunistisch gedrag.
Hoe hoger de transactiekosten, hoe voordeliger internaliseren (make) is ten opzichte van de markt (buy).
Maar als transacties binnen een organisatie goedkoper zijn, waarom dan niet één groot bedrijf? Volgens Coase zijn er naast transactiekosten ook managementkosten (organisatiekosten), en die nemen toe bij elke extra transactie die je internaliseert. De efficiëntie van de organisatie neemt af en specialisatievoordelen gaan verloren. Een bedrijf groeit tot de kosten van het organiseren van een extra transactie binnen het bedrijf gelijk zijn aan de kosten van diezelfde transactie via de markt of in een ander bedrijf. In marginale termen:
Williamson: de transactiekosteneconomie
The Nature of the Firm is eigenlijk eerder een vaststelling dan een theorie. Oliver Williamson (1975, 1985) maakte er een theorie van, die uitlegt waar transactiekosten vandaan komen en waarom ze verschillen tussen sectoren en landen. De aannames verschillen van de neoklassieke:
| Neoklassieke economie | Transactiekosteneconomie |
|---|---|
| Mensen zijn onbegrensd rationeel (unboundedly rational) | Mensen zijn begrensd rationeel (boundedly rational): ze willen rationeel zijn, maar kunnen niet alles overzien, dus contracten zijn onvolledig |
| Mensen hebben perfecte informatie | Mensen vertonen (soms) opportunistisch gedrag |
| Bedrijven willen alleen winst maximaliseren | De kans op en de kosten van opportunistisch gedrag hangen af van de critical dimensions of transactions; dat bepaalt de transactiekosten |
De critical dimensions of transactions
Bij gebruik van de markt bestaat het risico dat de tegenpartij zich opportunistisch gedraagt. De kans daarop en de kosten ervan bepalen de transactiekosten, en hangen af van drie kenmerken van de transactie. Hoe hoger de transactiekosten, hoe gunstiger het is om de transactie te internaliseren.
1. Frequentie
Er zijn twee manieren om naar frequentie te kijken:
- Het boek: bij een hoge frequentie kun je de vaste kosten van een eigen organisatie (een eigen afdeling, een eigen machine) over veel transacties spreiden. Internaliseren wordt dan aantrekkelijker.
- Opportunistisch gedrag (het college): partijen die vaak met elkaar handelen, bouwen routine op, waardoor de controlekosten dalen. Tegelijk ontstaan commitment en afhankelijkheid: overstappen naar een andere partner wordt minder waarschijnlijk en duurder. De vaste partner heeft een voorsprong op andere marktpartijen, waardoor er geen vrije keuze meer is. Dat heet lock-in. De keuze is dan niet meer gebaseerd op efficiëntie, maar op switching costs, en de huidige situatie is alleen te verklaren uit keuzes uit het verleden (path dependency). Daardoor ontstaat macht voor een of beide partijen, en stijgt het risico op opportunistisch gedrag en dus de transactiekosten.
2. Complexiteit en onzekerheid
Hoe onzekerder de productie of de toekomst, en hoe complexer een transactie, hoe moeilijker het is een compleet contract op te stellen. Hoe onvollediger het contract, hoe meer ruimte voor opportunistisch gedrag (achteraf heronderhandelen, gaten in het contract uitbuiten). Bij complexe, onzekere transacties wordt productie daarom eerder geïnternaliseerd.
3. Asset specificity
Asset specificity is de mate waarin een transactie gepaard gaat met transactiespecifieke investeringen: investeringen die minder of niets waard zijn buiten deze transactie, omdat er weinig of geen alternatieve toepassingen zijn.
Specifieke investeringen maken een of beide partijen afhankelijk. Hoe groter die afhankelijkheid, hoe groter het risico en de mogelijke kosten: de andere partij kan zich opportunistisch gedragen door van de afhankelijkheid gebruik te maken, bijvoorbeeld door het contract te heronderhandelen ("anders stop ik"). Het boek onderscheidt onder meer: site specificity (een fabriek naast de klant), physical asset specificity (een mal of machine voor één klant), human asset specificity (kennis die alleen bij deze relatie past) en dedicated assets (capaciteit die speciaal voor één klant is gebouwd). Vooral bij asymmetrische afhankelijkheid (de een investeert veel, de ander niet) is het risico groot.
Het hold-up probleem
Maakt de tegenpartij misbruik van de afhankelijkheid, dan spreek je van hold-up (ook wel het berovingsprobleem). Het grotere probleem is dat partijen dit voorzien: door het risico op hold-up gaan ze minder of geen transacties aan, of investeren ze minder dan optimaal, terwijl die transacties wel winstgevend waren geweest. Het hold-up probleem betekent dus dat er minder transacties plaatsvinden dan economisch optimaal. Een nadeel van de theorie is dat het empirisch lastig is te bewijzen, omdat je moet aantonen dat iets niet is gebeurd.
De asset specificity werkt in twee richtingen. Apple is afhankelijk van Foxconn voor de productie en heeft gezocht naar manieren om die afhankelijkheid te verkleinen. Foxconn heeft veel geïnvesteerd in productiecapaciteit voor Apple en is afhankelijk van Apple als klant; door de overname van Sharp vergrootte het zijn onderhandelingsmacht.
Dat Apple deels overstapte naar een duurdere leverancier (Pegatron), kun je zien als een hold-up probleem: Apple kiest een economisch minder aantrekkelijke optie om de gevaren van opportunisme en afhankelijkheid te beperken.
- Een auto volledig ontwerpen rond één coureur creëert asset specificity: het team wordt afhankelijk van die coureur, die daardoor macht krijgt en zich opportunistisch kan opstellen (bijvoorbeeld bij contractonderhandelingen).
- Teams die motoren kopen bij een directe concurrent: asset specificity (de auto moet worden aangepast aan de motor), complexiteit en onzekerheid (de interactie van onderdelen is onvoorspelbaar en elk seizoen anders, contracten zijn onvolledig) en frequentie (lange partnerschappen verhogen de switching costs: lock-in).
- Waarom kopen sommige teams toch? Omdat zelf maken voor hen hogere managementkosten (gebrek aan kennis) oplevert dan de transactiekosten van kopen.
Transactiekostenverlaging als verdienmodel
Veel succesvolle bedrijven verdienen hun geld met het verlagen van transactiekosten van anderen. Platforms als Booking, Marktplaats of Uber verlagen contactkosten (vraag en aanbod vinden elkaar), contractkosten (standaardvoorwaarden) en controlekosten (reviews, betalingsgaranties).
Waarom verschillen transactiekosten tussen landen en tijden?
Omdat instituties verschillen. Instituties zijn "the rules of the game"; ze bepalen de kwaliteit van markten, bijvoorbeeld via eigendomsrechten en de kwaliteit en efficiëntie van het rechtssysteem. Daarmee bepalen ze het risico van marktgebruik: de mate waarin actoren beschermd zijn tegen opportunistisch gedrag van anderen.
Een sterk verwant begrip is vertrouwen. Transactiekosten bestaan vooral door angst voor opportunisme van anderen. Functioneert het institutionele systeem goed, dan is er meer vertrouwen in het systeem en in anderen, verwacht men minder opportunisme en zijn de transactiekosten lager. Dat is een mogelijke verklaring waarom bedrijven in ontwikkelde landen minder geïnternaliseerd zijn dan in ontwikkelingslanden (waar grote familieconglomeraten veel voorkomen). Vertrouwen hangt sterk samen met welvaart (bbp per hoofd). In het algemeen hebben hoger opgeleiden en welvarende mensen meer vertrouwen, en vertrouwen mensen vooral mensen die op hen lijken. Een grootschalig experiment met ruim 17.000 "verloren" portemonnees liet zien dat mensen een portemonnee vaker terugbrengen als er meer geld in zit: mensen zijn betrouwbaarder dan we vaak denken.
Alle governance structures hebben voor- en nadelen, en die hangen sterk af van regels, wetten en cultuur. Een structuur die in het ene land gunstig is, kan in een ander land ongunstig zijn. Dat verklaart waarom bedrijven in vergelijkbare sectoren over de wereld verschillend georganiseerd zijn.
- Ken de redenering van Coase: transactiekosten (3 C's) verklaren waarom bedrijven bestaan; stijgende managementkosten verklaren waarom ze niet oneindig groot worden; de optimale omvang ligt waar de marginale managementkosten gelijk zijn aan de bespaarde transactiekosten.
- Ken de aannames van TCE: begrensde rationaliteit en opportunisme.
- Pas de drie critical dimensions concreet toe: frequentie (lock-in, switching costs, path dependency), complexiteit en onzekerheid (onvolledige contracten), asset specificity (afhankelijkheid, hold-up).
- Hold-up = er vinden minder (of andere, duurdere) transacties plaats dan optimaal, uit angst voor misbruik van afhankelijkheid.
- Instituties en vertrouwen verklaren waarom governance structures tussen landen verschillen.
Andere hoofdstukken van Economie voor Bedrijfskunde
- HC 1: Inleiding, keuzes en opportunity costs
- HC 2: Specialisatie, handel en markten
- HC 3: Vraag, aanbod, welvaart en overheidsingrijpen
- HC 4: Marktfalen en de wereldeconomie
- HC 5: Markten, organisaties en informatie
- HC 6: Speltheorie
- HC 8: Agency theory en corporate governance
- HC 9: Behavioral Theory of the Firm
- HC 10: Competitive en corporate strategy
- HC 11: Fusies, overnames en FDI
- HC 12: Hybride vormen en evolutionaire economie