Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

HC 8: Agency theory en corporate governance

Transactiekosteneconomie gaat over opportunisme tussen bedrijven op de markt. Maar ook binnen bedrijven, en in elke relatie waarin de een werk uitbesteedt aan de ander, kan opportunisme ontstaan. Dat is het domein van de agency theory (principaal-agenttheorie). Je leert de twee voorwaarden van een agency-probleem, de twee soorten oplossingen (prikkels en monitoring), de drie soorten agency costs, en hoe corporate governance aandeelhouders en de samenleving moet beschermen tegen het gedrag van managers. De geschiedenis van de VOC laat zien dat dit probleem al vierhonderd jaar oud is.

Agency theory in het kort

Er is een (in)formeel contract tussen een principaal en een agent:

  • De principaal geeft verantwoordelijkheid uit handen, maar houdt het risico van het gedrag van de agent.
  • De agent krijgt verantwoordelijkheid van de principaal; zijn gedrag en keuzes beïnvloeden de uitkomst voor de principaal.
De twee voorwaarden voor een agency-probleem
  1. Er is een (mogelijk) belangenconflict (conflict of interest) tussen principaal en agent: het motief.
  2. Er is informatie-asymmetrie tussen principaal en agent: de principaal kan het gedrag van de agent niet (volledig) waarnemen. Dat is de mogelijkheid.

Door deze twee voorwaarden ontstaat het risico van opportunistisch gedrag van de agent. Het college vergeleek het met een detective: voor een misdaad heb je een motief en een middel nodig.

Voorbeelden van agency-relaties: aandeelhouders en managers, samenleving en bedrijven (of banken), werkgever en werknemer, docent en student, CEO en divisiemanager, teambaas en coureur.

Het bedrijf als nexus of contracts

De perspectieven verschillen in hoe ze het bedrijf zien:

PerspectiefHet bedrijf is...
Neoklassieke theory of the firméén rationele actor met winstmaximalisatie als enig doel
Transactiekosteneconomieeen hiërarchie die transacties internaliseert om zich te beschermen tegen opportunisme op de markt
Agency theoryeen nexus of contracts: een knooppunt van (expliciete en impliciete) contracten tussen alle actoren binnen en buiten de organisatie

De consequentie van de agency theory is dat elke relatie, binnen en buiten de organisatie, gebaseerd moet zijn op prikkels en meetinstrumenten die belangenconflicten en informatie-asymmetrie verminderen. Het boek onderscheidt de positive theory of agency (hoe beïnvloeden contracten gedrag, en waarom zien we bepaalde organisatievormen? Als ze bestaan, zijn ze kennelijk efficiënt) en de theory of principal and agent (hoe ontwerp je prikkels op een optimale manier?).

De wortels: scheiding van eigendom en zeggenschap

Berle en Means (1932) beschreven in The Modern Corporation and Private Property dat grote bedrijven vaak in handen zijn van veel kleine aandeelhouders. De winst (dividend) gaat grotendeels naar de aandeelhouders, maar de belangrijkste beslissingen worden genomen door managers. Externe aandeelhouders kunnen managers niet controleren, en het probleem is het grootst voor kleine aandeelhouders. Er is een groot belangenconflict tussen aandeelhouders en topmanagers. Dit heet de scheiding van eigendom en zeggenschap (separation of ownership and control). Betekent dit dat familiebedrijven en eenmanszaken efficiënter zijn? Daar speelt dit probleem minder, maar daar kan wel shirking van werknemers optreden.

Het belangenconflict en de oplossingen

Aandeelhouders willen maximale winst. Managers willen misschien iets anders: een hoog salaris, status, een groot bedrijf (empire building), weinig risico, een rustig leven. Er zijn twee soorten oplossingen:

  • Markt: verschillende markten kunnen het conflict disciplineren: de aandelenmarkt (slechte prestaties drukken de koers), de markt voor corporate control (een slecht geleid bedrijf wordt overgenomen en het management vervangen), de markt voor managers (reputatie) en de productmarkt (slecht geleide bedrijven verliezen klanten).
  • Bureaucratie: marktprikkels binnen de organisatie nabootsen, op twee manieren:
    • meten van gedrag, prestaties en resultaten (vermindert de informatie-asymmetrie): monitoring;
    • belonen van resultaten met prestatieafhankelijke beloningen (vermindert het belangenconflict): incentive alignment.

Bonussen: incentive alignment

Het succes hangt af van de juiste prikkels. Wat beloon je bij bankiers en managers: een minimale winst, absolute of relatieve prestaties, korte of lange termijn? En waarmee: geld, aandelen, opties, obligaties? De aanname is dat een financiële prikkel tot een beter resultaat leidt. Maar er zijn risico's: zelfselectie van risicozoekers, en prikkels die ongewenst gedrag uitlokken.

Voorbeeld uit de werkgroep: bankiers en bonussen in obligaties
  • Waarom bonussen? Bankiers zijn agenten van de aandeelhouders. Hun inspanning is moeilijk te observeren (informatie-asymmetrie) en ze kunnen andere doelen hebben (belangenconflict). Bonussen moeten het belangenconflict verkleinen.
  • Samenleving en banken (moral hazard): maakt een bank winst, dan is die voor de bank; gaat het mis, dan betaalt de samenleving. Dat lokt achteraf risicovol gedrag uit. Worden bankiers in aandelen betaald, dan worden ze geprikkeld de winst (en het risico) op te voeren. Worden ze in obligaties betaald, dan hebben ze vooral belang bij het overleven van de bank, wat beter aansluit bij het belang van de samenleving.
  • Averechtse selectie: aandelenbonussen trekken risicozoekende werknemers aan, die zichzelf selecteren voor de sector. Bonussen in obligaties trekken een ander, minder risicozoekend type aan.

Monitoring en performativiteit

Opportunistisch gedrag komt voort uit informatie-asymmetrie, en zelfs met bonussen weet je niet alles over het gedrag van de agent. De oplossing is monitoring, maar die werkt alleen als het resultaat zichtbaar en meetbaar is, en objectief kan worden vastgesteld. De keuze wát en hóé je meet, bepaalt de prikkels en daarmee het gedrag.

Een onbedoeld gevolg is performativiteit: mensen gaan de gemeten en beloonde doelen zien als de echte doelen en gedragen zich daarnaar, wat het onderliggende doel kan schaden. Een voorbeeld: artsen die worden beoordeeld op het aantal patiënten per uur, gaan sneller consulten afronden ten koste van de kwaliteit van zorg.

Agency theory in de (semi)publieke sector

Agency-denken is breed toegepast in de publieke sector (New Public Management): marktprikkels inbouwen tegen belangenconflicten ("bedrijfje spelen") en resultaten meten tegen informatie-asymmetrie, met als doel meer efficiëntie. De problemen: er is geen echte marktomgeving (geen concurrentie), organisaties mogen vaak niet failliet gaan (succes wordt beloond, falen niet bestraft), het resultaat is vaak moeilijk meetbaar, belonen creëert performativiteit, en de aanname dat iedereen opportunistisch is, kan zelf tot opportunisme leiden.

Agency costs

Alle kosten die voortkomen uit een agency-relatie heten samen de agency costs:

  • Preventiekosten: kosten om het belangenconflict te verminderen (bijvoorbeeld het ontwerpen en betalen van bonusregelingen).
  • Inspectiekosten: kosten om de informatie-asymmetrie te verminderen (monitoring, controle, verslaggeving).
  • Consequentiekosten: de kosten van het opportunistische gedrag van de agent dat overblijft.

Er is een afweging. Geef je de agent meer autonomie, dan dalen de preventie- en inspectiekosten, maar stijgen de consequentiekosten. De totale agency costs zijn de som; het optimale punt ligt bij de mate van autonomie waarbij die som minimaal is. Het doel is dus niet om opportunisme volledig uit te bannen; dat zou te duur zijn.

Rekenvoorbeeld: optimale autonomie
Autonomie agentPreventie + inspectieConsequentiekostenTotaal
laag9010100
midden403070
hoog157590

Het minimum van de totale agency costs ligt bij een gemiddelde autonomie (70). Meer controle bespaart wel consequentiekosten, maar kost meer aan preventie en inspectie.

Een persoon is lang niet altijd alleen principaal of alleen agent. Volgens de multiple agency theory bestaan agency-relaties per relatie of contract; iemand kan in de ene relatie principaal zijn en tegelijk in de andere agent (een middenmanager is agent van de directie en principaal van zijn team).

Corporate governance

In grote, beursgenoteerde bedrijven is de scheiding tussen eigendom en zeggenschap groot, en dus ook de kans op belangenconflicten en informatie-asymmetrie. Dat is belangrijk voor de hele samenleving: bedrijven zijn leveranciers, werkgevers en investeerders. Er is dus een groot belang bij een goed werkend (inter)nationaal corporate governance systeem: alle systemen die goed bestuur van een bedrijf moeten waarborgen. Aguilera en Jackson (2003) definiëren corporate governance als de verdeling van rechten en verantwoordelijkheden binnen het bedrijf, die macht en middelen toewijst aan verschillende actoren en de onvermijdelijke spanningen tussen die actoren managet.

Elementen van een corporate governance systeem: actoren (eigenaren, board of directors, CEO's, topmanagement, werknemers), de omgeving (wet- en regelgeving: instituties), monitoring (financiële en niet-financiële verslaggeving) en prikkels (bonussen).

Nederlands systeem (two-tier)Amerikaans systeem (one-tier)
StructuurTwee organen: een raad van bestuur (executive board) en een raad van commissarissen (supervisory board)Eén board of directors met inside en outside leden
Dagelijkse leidingRaad van bestuur: CEO, CFO, COOInside leden (CEO, CFO, COO) die ook in het bedrijf werken
ToezichtRaad van commissarissen, in dienst van aandeelhouders en de maatschappijOutside leden, aangesteld door (grote) aandeelhouders om hun belangen te bewaken
Rol CEOLeidt het bestuur, zit niet in het toezichthoudende orgaanVaak zowel algemeen directeur als voorzitter van de board

De VOC: het eerste agency-probleem op een beurs

In de zeventiende eeuw dreven Engeland, Spanje, Portugal en Nederland veel internationale handel, eerst op projectbasis: per reis werd geld opgehaald. De risico's waren groot (piraten, fraude, schipbreuk, conflicten) en er was geen lange termijn en geen risicospreiding. De VOC (1602) bundelde ongeveer 70 ondernemers en meer dan 1000 investeerders. De autoriteiten stonden permanente financiering toe, met verhandelbare eigendomsrechten op een secundaire markt: de eerste aandelen en de eerste aandelenbeurs ter wereld.

De VOC begon met 6,5 miljoen gulden. Hoge investeringen en kosten, risico's en lange reizen zorgden voor lage rendementen; het eerste dividend kwam pas in 1610, in goederen. Er was ontevredenheid: managers werden verdacht van handel met voorkennis, sloten contracten met bevriende partijen, en de beloning en prikkels van managers deugden niet. Berekeningen laten zien dat de VOC aandeelhouderswaarde vernietigde. Dat was een agency-probleem: de aandeelhouders (principalen) konden het gedrag en de resultaten van de managers (agenten) onvoldoende sturen en monitoren.

In 1622 eisten activistische aandeelhouders transparante informatie, het recht managers te benoemen, een tijdslimiet op aanstellingen, aangepaste beloningen en beperkingen op handel met voorkennis. Dat nieuwe institutionele raamwerk kun je zien als de eerste corporate governance code.

Sinds 1622 zijn de instituties sterk ontwikkeld, maar het onderliggende agency-probleem is in 400 jaar niet veranderd. Ontwikkelingen volgden steeds op schandalen en zeepbellen: de tulpenmanie (1637), de Mississippi- en South Sea-bubbels (1720, gevolgd door de Bubble Act) en de Nederlandse windhandel, de beurskrach van 1929 (gevolgd door de Securities and Exchange Act van 1934), Enron en WorldCom (Sarbanes-Oxley Act), het Ahold-schandaal (Code Tabaksblat) en de financiële crisis van 2008 (Basel III, bonusplafonds).

Blockholders en het free-rider probleem van aandeelhouders

Monitoring heeft zelf een free-rider probleem: een kleine aandeelhouder betaalt alle kosten van het controleren van het management, maar krijgt maar een klein deel van de opbrengst. Bij veel kleine aandeelhouders wordt er dus weinig gemonitord en is het agency-probleem groot. Een grote aandeelhouder (blockholder) heeft wél de middelen en de prikkel om het management te controleren.

Voorbeeld uit de werkgroep: grote blockholders in Nederland

De Nederlandse aandelenmarkt kent relatief veel grote blockholders. Corporate governance moet aandeelhouders beschermen tegen opportunisme van het management. Als het systeem dat minder goed doet, worden vooral kleine aandeelhouders slecht beschermd; grote aandeelhouders beschermen zichzelf door hun omvang en macht. De aanwezigheid van veel blockholders kan er dus op wijzen dat het corporate governance systeem kleine aandeelhouders relatief slecht beschermt. (Een andere lezing is dat blockholders de monitoring juist versterken, maar dan ontstaat het risico dat zij hun belangen ten koste van kleine aandeelhouders behartigen.)

Samengevat zijn de oplossingen voor het agency-probleem: tegen het belangenconflict bonussen (incentive alignment) en marktoplossingen; tegen informatie-asymmetrie interne monitoring (met het free-rider probleem bij aandeelhouders) en externe monitoring door accountants, kredietbeoordelaars, journalisten en banken.

Voor het tentamen
  • Noem bij elke casus expliciet wie principaal en wie agent is, wat het belangenconflict is en welke informatie asymmetrisch is. Zonder beide voorwaarden is er geen agency-probleem.
  • Oplossingen: incentive alignment (tegen het belangenconflict) en monitoring (tegen de informatie-asymmetrie). Benoem ook de risico's: performativiteit, averechtse selectie, free riding.
  • Ken de drie agency costs en de afweging: het optimum ligt bij minimale totale agency costs, niet bij nul opportunisme.
  • Kun je uitleggen waarom het agency-probleem groter is bij veel kleine aandeelhouders?
  • Ken het verschil tussen het Nederlandse two-tier en het Amerikaanse one-tier systeem en de VOC als eerste voorbeeld.

Andere hoofdstukken van Economie voor Bedrijfskunde

Test jezelf met oefenvragen