HC 10: Competitive en corporate strategy
De Behavioral Theory of the Firm ziet strategie vrij eendimensionaal: doelen stellen, uitkomsten evalueren, nieuwe (of oude) doelen. Maar tussen doelen stellen en uitkomsten evalueren gebeurt veel, en dat is strategie. Dit college onderscheidt twee niveaus. Competitive strategy gaat over hoe een business unit concurreert binnen een sector: daar horen het SCP-paradigma, Porters vijfkrachtenmodel, kostenleiderschap versus differentiatie, de resource-based view en dynamic capabilities, en speltheorie (de ijskraampjes). Corporate strategy gaat over de vraag welke business units bij elkaar in één onderneming horen: horizontale integratie, gerelateerde en ongerelateerde diversificatie en verticale integratie.
Twee soorten strategie
- Competitive strategy: de competitieve beslissingen van business units in een specifieke sector. Hoe kunnen business units bestaan en winnen?
- Corporate strategy: de strategie voor een portfolio van business units. Welke onderdelen horen (niet) in hetzelfde bedrijf? Dat heet ook portfolio management.
De omgeving: het SCP-paradigma
Volgens het Structure-Conduct-Performance paradigma bepaalt de structuur van een sector het gedrag (conduct) van de bedrijven erin, en bepaalt dat gedrag hun prestaties (performance).
Strategie is alleen mogelijk als er marktmacht is (structuur). In een perfect concurrerende markt zijn prijzen gelijk aan of dicht bij de marginale kosten, en kunnen bedrijven alleen op kosten concurreren: zonder marktmacht is er geen ruimte voor strategie. Marktmacht komt meestal voort uit:
- schaalvoordelen (één grote producent kan goedkoper produceren dan veel kleine);
- kapitaal, en dan vooral gezonken kosten (een nieuwkomer moet eerst veel onomkeerbaar investeren);
- R&D: investeringen in kennis en technologie, eventueel beschermd door patenten;
- netwerkeffecten: een product wordt waardevoller naarmate meer mensen het gebruiken (sociale media, platforms).
Gevolgen van marktmacht zijn bedrijfs- en productdifferentiatie, innovatie en marketing, maar ook mogelijke collusie en (prijs)kartels. Daarom is er een rol voor de overheid: antitrustwetgeving, in Nederland gehandhaafd door de ACM (Autoriteit Consument & Markt). Een vraag uit het college is of marktmacht ook slecht kan zijn voor leveranciers (inkoopmacht).
Een belangrijke beperking: het SCP-model voorspelt dat bedrijven in dezelfde sector zich hetzelfde gedragen en dus hetzelfde presteren, omdat ze dezelfde structuur delen. Het kan daarom verschillen tussen bedrijven binnen één sector niet verklaren. Empirisch onderzoek laat bovendien zien dat verschillen in winstgevendheid voor een groot deel samenhangen met het bedrijf zelf en minder met de sector. Is de omgeving dan eigenlijk wel zo belangrijk? Daarom gaat het college over van de sector naar het bedrijf.
NEC NV presteert slechter dan zijn belangrijkste concurrenten. Het SCP-model kan dat niet verklaren: alle bedrijven in de sector delen dezelfde structuur en zouden zich daardoor hetzelfde moeten gedragen en presteren. Omgekeerd: een bedrijf met veel ruimte voor strategie, dat zich kan onderscheiden van anderen, zit volgens het SCP-raamwerk vrijwel zeker in een sector waarin het aanzienlijke marktmacht heeft, bijvoorbeeld door toetredingsdrempels of productdifferentiatie.
Porters vijfkrachtenmodel
Porter gebruikt het SCP-denken om de intensiteit van de concurrentie in een sector te analyseren. Hoe sterker de vijf krachten, hoe minder winst er te halen is en hoe minder ruimte voor strategie:
- de rivaliteit tussen bestaande concurrenten;
- de dreiging van nieuwe toetreders (laag bij hoge toetredingsdrempels);
- de dreiging van substituten;
- de onderhandelingsmacht van afnemers;
- de onderhandelingsmacht van leveranciers.
Van sector naar bedrijf: strategische dimensies en strategische groepen
Strategische dimensies zijn de variabelen waarop bedrijven zich kunnen profileren: kwaliteit, prijs, vormgeving, service, enzovoort. Van strategie veranderen is lastig en gaat langzaam, door de inertie uit de Behavioral Theory of the Firm. Groepen bedrijven die dezelfde set keuzes maken, en dus dezelfde strategie volgen, vormen een strategische groep: prijsvechters in de luchtvaart, fastfoodketens, luxe modewinkels. Kunnen bedrijven met verschillende strategieën naast elkaar bestaan, en is de ene dan succesvoller dan de andere?
Twee generieke strategieën
- Kostenleiderschap (cost leadership): het doel is de laagste kosten, door grote schaal en relatief homogene producten. Benut schaalvoordelen.
- Productdifferentiatie: onderscheid op basis van merk, luxe, kwaliteit, service, innovatie; heterogene producten waarvoor klanten meer willen betalen.
De resource-based view of the firm
Waar komt een concurrentievoordeel vandaan? Volgens de resource-based view moet elk concurrentievoordeel voortkomen uit het bezit van, of de toegang tot, bepaalde (productie)middelen (resources). "Resource" moet je breed opvatten: kapitaal, kennis, menselijk kapitaal, technologie, een merknaam, vaardigheden, relaties. Om tot een duurzaam concurrentievoordeel en dus superieure resultaten te leiden, moeten de resources VRIN zijn:
| Letter | Eigenschap | Betekenis |
|---|---|---|
| V | Valuable (waardevol) | de resource helpt kansen te benutten of bedreigingen te weerstaan |
| R | Rare (zeldzaam) | weinig concurrenten hebben haar |
| I | Inimitable (moeilijk te imiteren) | concurrenten kunnen haar niet (goedkoop) namaken, bijvoorbeeld door tacit knowledge, historie of reputatie |
| N | Non-substitutable (niet vervangbaar) | er is geen andere resource die hetzelfde voordeel geeft |
Dynamic capabilities
Een probleem van de resource-based view is dat ze statisch is. Na verloop van tijd kan een concurrentievoordeel verdwijnen door nieuwe technologie, veranderende voorkeuren of een andere omgeving. Dan telt hoe goed een bedrijf is in het vinden van een "nieuwe" resource die een nieuw voordeel oplevert. Dynamic capabilities zijn het vermogen van een organisatie om doelbewust haar resources te creëren, uit te breiden of aan te passen. Sommige bedrijven passen zich veel beter aan nieuwe technologie en omstandigheden aan dan andere.
- TomTom had een concurrentievoordeel in navigatiekastjes (circa 50% marktaandeel in Europa), dat moet zijn voortgekomen uit een bepaalde resource. Toen de markt veranderde, verdween het voordeel en volgden jaren van tegenvallende resultaten. Later ontwikkelde TomTom nieuwe voordelen, door te diversifiëren in verwante markten (kaarten, verkeersinformatie, zelfrijdende auto's). Het vermogen om een nieuw voordeel te ontwikkelen als het oude niet meer werkt, zijn de dynamic capabilities.
- Een sterk concurrentievoordeel kan gevaarlijk zijn. Bedrijven met VRIN-resources halen goede resultaten, boven hun aspiratieniveau. Volgens de Behavioral Theory of the Firm hebben ze dan weinig prikkel om risico te nemen en investeren ze weinig in dynamic capabilities. Maar elk voordeel heeft een einddatum. Pas als de resultaten onder het aspiratieniveau zakken, gaan ze zoeken, en dan kan het te laat zijn (Nokia, Kodak).
Speltheorie en strategie: de ijskraampjes
Het college gebruikte een locatiespel. Een strand is 500 meter lang, met 10 potentiële kopers per meter (5000 in totaal). De vraag daalt met de afstand tot een kraam. Een ijsje kost €1 en de productiekosten zijn €0,90, dus de winst per ijsje is €0,10. De huur van een ijskraam is €140 per dag. Mr Sun en Mrs Orange zijn mogelijke concurrenten. Mr Sun plaatst eerst zijn kraam (of kramen), Mrs Orange observeert die keuze en kiest daarna.
Neem voor het gemak aan dat elke koper één ijsje koopt als er een kraam in de buurt is en dat de kopers zich gelijk verdelen over kramen die even dichtbij staan. Met alle 5000 kopers is de brutowinst 5000 × €0,10 = €500 per dag.
- Sun plaatst één kraam: zonder concurrent verdient hij 500 − 140 = €360. Maar dan loont toetreding voor Orange: zij neemt ongeveer de helft van het strand en verdient 250 − 140 = €110. Sun houdt dan 250 − 140 = €110 over.
- Sun plaatst twee kramen, verspreid over het strand: hij bedient het hele strand en verdient 500 − 280 = €220. Voor Orange blijft er te weinig vraag over om de huur van €140 terug te verdienen, dus ze blijft weg.
Sun kiest twee kramen (220 > 110), hoewel één kraam zonder concurrent meer had opgeleverd. Hij schrikt toetreding af door de vraag af te pakken.
Een tweede variant ging over flexibiliteit versus commitment: er zijn mobiele (flexibele) en statische (niet flexibele) kraampjes, elk €150. Een mobiele kraam kan Sun na toetreding wegrijden, dus Orange weet dat Sun niet hoeft te blijven vechten: de dreiging is niet geloofwaardig. Een statische kraam staat er hoe dan ook; dat is een credible commitment die toetreding afschrikt. Dezelfde logica zagen we in HC 6 bij het grote netwerk van National.
De implicaties:
- Winstmaximalisatie op korte termijn is niet altijd de slimste zet.
- Flexibel zijn is niet altijd slim.
- Bedrijven kunnen toetreding afschrikken door de vraag af te pakken (de markt veroveren) of door een credible commitment (grote, onomkeerbare investeringen).
- Als eerste zijn kan een strategisch voordeel zijn, maar is dat niet altijd.
Corporate strategy: de onderneming als portfolio
Een onderneming bestaat uit een hoofdkantoor (HQ) en meerdere business units, die elk externe leveranciers en klanten hebben. Het HQ heeft toegang tot de kapitaalmarkt en de markt voor managers. Twee hoofdvragen:
- Werkt deze structuur beter dan onafhankelijke ondernemingen? Is de organisatie efficiënter dan de markt (of een andere organisatie)? Zo niet: afstoten of uitbesteden.
- Is deze combinatie van business units efficiënt? Vullen de activiteiten elkaar aan, of zijn er betere combinaties? Zo niet: verkoop onderdelen aan een ander bedrijf en/of neem andere onderdelen op.
Vier corporate strategieën
| Strategie | Wat is het? | Belangrijkste motief |
|---|---|---|
| Horizontale integratie | Business units die hetzelfde doen in dezelfde sector (A en B maken hetzelfde) | Economies of scale: hetzelfde product in grotere hoeveelheden maken is goedkoper per stuk; heeft vaak te maken met kapitaal, technologie en netwerken |
| Related diversification (gerelateerde diversificatie) | Units in verschillende maar samenhangende sectoren (A en B zijn niet gelijk, maar wel verwant) | Economies of scope: twee verwante activiteiten zijn samen efficiënter dan apart; het geheel is meer dan de som der delen (1 + 1 > 2). Voorbeelden: kassen en datacenters (restwarmte), smartphones en tablets |
| Verticale integratie | Units die achter elkaar in dezelfde keten zitten (A levert aan B), van grondstof tot eindproduct | Economies of vertical integration: lagere transactiekosten (TCE: asset specificity, onzekerheid en complexiteit, frequentie) |
| Unrelated diversification (ongerelateerde diversificatie) | Units in volledig ongerelateerde sectoren (conglomeraat) | Een interne kapitaalmarkt: kapitaal eenvoudiger aantrekken en beter alloceren, lagere informatie-asymmetrie, en een reactie op hoge transactiekosten op de externe markt |
De motieven stapelen: ook bij related diversification, horizontale en verticale integratie gelden de voordelen van unrelated diversification (de interne kapitaalmarkt), plus het eigen specifieke voordeel. Waarom zien we dan conglomeraten? Vooral waar externe markten slecht werken: in landen met zwakke instituties zijn de transactiekosten op kapitaalmarkten hoog, en kan een conglomeraat met een interne kapitaalmarkt beter presteren. In landen met goed werkende kapitaalmarkten worden conglomeraten vaak juist opgesplitst. In de praktijk combineren veel bedrijven meerdere strategieën tegelijk ("all-in the mix").
NEC heeft een smartphone-, een tablet- en een microprocessordivisie. Smartphones en tablets zijn related diversification (economies of scope). De microprocessordivisie levert aan de andere twee: verticale integratie, te verklaren met transactiekosten. De microprocessor is uniek, dus er is asset specificity: zonder eigen divisie zouden de andere divisies kwetsbaar zijn voor opportunisme van een externe leverancier. Maar omdat elke divisie als zelfstandige winsteenheid wordt afgerekend, en de interne prijs per jaar wordt onderhandeld, lijkt het probleem intern terug te komen: de microprocessordivisie wordt niet volledig gecompenseerd voor haar specifieke investering en de andere divisies eigenen zich de quasi-rente toe. Er is dus zelfs intern een transactiekostenprobleem, en via de bonussen ook een agency-probleem tussen CEO en divisiemanagers.
TomTom diversifieerde in veel producten die gps-technologie gebruiken: related diversification, met economies of scope als motief. Apple sloot in 2012 een contract met TomTom voor kaarten, uit angst voor te grote afhankelijkheid van Google Maps (Google is een concurrent; afhankelijkheid geeft asset specificity en dus risico op opportunisme). Mogelijk waren de kaarten van Google beter of goedkoper, maar de angst voor afhankelijkheid gaf de doorslag: een voorbeeld van hold-up-denken.
- SCP: structuur bepaalt gedrag bepaalt prestaties; zonder marktmacht geen ruimte voor strategie. Beperking: verklaart geen verschillen tussen bedrijven in één sector.
- Ken de vijf krachten, de twee generieke strategieën, VRIN en de definitie van dynamic capabilities.
- Koppel de theorieën: een sterk concurrentievoordeel (RBV) kan volgens de Behavioral Theory of the Firm leiden tot zwakke dynamic capabilities.
- Corporate strategy: herken de vorm en noem het bijbehorende motief (scale, scope, vertical integration via TCE, interne kapitaalmarkt).
- De ijskraampjes: toetreding afschrikken door de vraag af te pakken of door credible commitment; korte termijn winstmaximalisatie is niet altijd slim.
Andere hoofdstukken van Economie voor Bedrijfskunde
- HC 1: Inleiding, keuzes en opportunity costs
- HC 2: Specialisatie, handel en markten
- HC 3: Vraag, aanbod, welvaart en overheidsingrijpen
- HC 4: Marktfalen en de wereldeconomie
- HC 5: Markten, organisaties en informatie
- HC 6: Speltheorie
- HC 7: Transactiekosteneconomie
- HC 8: Agency theory en corporate governance
- HC 9: Behavioral Theory of the Firm
- HC 11: Fusies, overnames en FDI
- HC 12: Hybride vormen en evolutionaire economie