Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

HC 10: Interne analyse: resources en capabilities

De vorige twee colleges keken naar buiten. Dit college kijkt naar binnen: wat moet een bedrijf kunnen om te winnen in zijn bedrijfstak, en heeft het de middelen daarvoor? De kernbegrippen zijn key success factors, value curves en blue ocean-strategie, profit pools, de waardeketen van Porter, het onderscheid tussen resources en capabilities en het VRINE-model om te toetsen of een middel tot duurzaam concurrentievoordeel leidt. Het verplichte artikel is Leonard-Barton (1992) over kerncompetenties die kunnen omslaan in kernbeperkingen.

Begin hier als dit nieuw voor je is
  • Resource-based view. De stroming die stelt dat concurrentievoordeel vooral voortkomt uit wat een bedrijf intern heeft en kan, niet uit de bedrijfstak waarin het zit.
  • Duurzaam concurrentievoordeel. Een voordeel dat lang standhoudt omdat concurrenten het niet makkelijk kunnen nadoen.
  • Normale winst. De winst die een gemiddeld bedrijf in de bedrijfstak maakt; bovengemiddelde winst is meer dan dat.

Van bedrijfstak naar bedrijf

Een succesvolle strategie vraagt een strategische fit tussen het bedrijf (doelen en waarden, middelen en capaciteiten, structuur en systemen) en de bedrijfstak (concurrenten, klanten, leveranciers). Het verband loopt via de key success factors: de omgeving bepaalt wat nodig is om te winnen, het bedrijf moet de middelen hebben om daaraan te voldoen. Dit werkt in twee richtingen: middelen kunnen ook nieuwe succesfactoren creëren.

Key success factors

Definitie (Grant, 2007)

Key success factors (KSF's) zijn de factoren in de marktomgeving van een bedrijf die bepalen of het bedrijf kan overleven en floreren.

Je vindt ze met twee vragen:

  • Wat willen klanten? (analyse van de vraag): wie zijn onze klanten en wat willen ze?
  • Hoe overleeft een bedrijf de concurrentie? (analyse van de concurrentie): wat drijft de concurrentie, wat zijn de belangrijkste dimensies, hoe intens is ze, hoe bereiken we een superieure positie?
BedrijfstakWat willen klanten?Hoe overleef je de concurrentie?KSF's
StaalLage prijs, constante kwaliteit, leverzekerheidStandaardproducten, overcapaciteit, hoge vaste kosten, dus felle prijsconcurrentieKostenefficiëntie via grote fabrieken en goedkope locaties, of flexibele kleinschalige hightech; financiële kracht
ModekledingGrote diversiteit in stijl; bereid te betalen voor merk en exclusiviteit; massamarkt is prijsgevoeligLage toetredingsbarrières, veel aanbieders, machtige winkelketens; differentiatie levert een premie maar wordt snel gekopieerdDifferentiatie combineren met lage kosten; snel inspelen op trends; productie in lagelonenlanden
SupermarktenLage prijzen, handige locatie, breed assortiment aangepast aan lokale voorkeuren, verse productenPrijsconcurrentie hangt af van aantal en nabijheid van concurrenten; inkoopmacht bepaalt de kostenOperationele efficiëntie, schaal, grote inkoopvolumes, lage loonkosten; of grote winkels op goede locaties

Hulpmiddelen om KSF's te bepalen: marktonderzoek en klantgedrag (vaak door marketing), value curves en de waardeketen (voor de dimensies van concurrentie), en profit drivers en profit pools (om winst te begrijpen).

Value curves en blue ocean-strategie

Een value curve laat zien op welke factoren een bedrijfstak concurreert en investeert, en hoeveel de koper op elke factor krijgt. Je zet de factoren horizontaal en de score (bijvoorbeeld 0 tot 10) verticaal, en tekent per bedrijf een lijn. In de luchtvaart scoren grote maatschappijen hoog op maaltijden, lounges en stoelkeuze, en Southwest juist laag daarop maar hoog op lage prijs en frequentie.

Het voorbeeld is [yellow tail] van Casella Wines. Australische wijnen concurreerden op complexe smaak, wijnterminologie, rijping en prestige (dure wijnen) of op lage prijs (goedkope wijnen). [yellow tail] veranderde de curve met vier acties:

  • Elimineren: wijnterminologie, rijping, prestige-marketing.
  • Verminderen: complexiteit van de smaak, keuze uit veel soorten.
  • Verhogen: prijs ten opzichte van goedkope wijn (een klein beetje), betrokkenheid bij de winkel.
  • Creëren: makkelijk te drinken, makkelijk te kiezen, plezier en avontuur.

Het resultaat: [yellow tail] werd een enorme exporteur en haalde een groot deel van de markt voor Australische wijn in de VS, doordat het mensen aantrok die eerder bier of cocktails dronken.

Dit is value innovation (Kim en Mauborgne, 2005): de concurrentie irrelevant maken door een sprong in waarde voor kopers én bedrijf, en zo een nieuwe, onbetwiste markt openen.

Red oceanBlue ocean
Concurreren in een bestaande marktEen onbetwiste markt creëren
De concurrentie verslaanDe concurrentie irrelevant maken
Bestaande vraag benuttenNieuwe vraag creëren en binnenhalen
De afweging tussen waarde en kosten makenDe afweging tussen waarde en kosten doorbreken

Profit pools

Een profit pool is de totale winst die in een hele waardeketen van een bedrijfstak wordt verdiend, verdeeld over de activiteiten. Je vindt ze door aangrenzende marktkansen te evalueren. In de Europese auto-industrie zijn de marges op de productie van auto's zelf laag (enkele procenten), terwijl autofinanciering, leasing, verzekeringen en vooral reparatie en onderdelen veel hogere marges hebben (rond de 15 tot 20%). Wie alleen naar omzet kijkt, mist waar het geld echt verdiend wordt.

Bedrijven zijn waardeketens (Porter, 1985)

De waardeketen splitst een bedrijf in activiteiten die waarde toevoegen. De marge is het verschil tussen de waarde die klanten betalen en de kosten van alle activiteiten.

Primaire activiteitenOndersteunende activiteiten
Inkomende logistiek (ontvangst, opslag van inputs)Infrastructuur van het bedrijf (management, financiën, planning)
Operaties (productie)Human resource management
Uitgaande logistiek (distributie naar klanten)Technologieontwikkeling
Marketing en verkoopInkoop (procurement)
After-sales service

Vergelijking Southwest en traditionele luchtvaartmaatschappijen: Southwest gebruikt één vliegtuigtype (minder onderhoud en training), vliegt korte vluchten zonder hub-and-spoke, biedt geen maaltijden, geen stoelreserveringen, één klasse en geen overdracht van bagage naar andere maatschappijen, vliegt op secundaire luchthavens en gebruikt weinig reisbureaus maar veel mond-tot-mondreclame. Elke activiteit ondersteunt de kostenleiderschap-strategie; dat is de fit tussen activiteiten waar Porter over spreekt.

Porter stelde dat bedrijven kiezen tussen kostenleiderschap en differentiatie; het huidige bewijs suggereert dat de succesvolste bedrijven beide combineren.

Resources en capabilities

Definities (Carpenter en Sanders, 2009)

Resources (middelen) zijn de inputs die bedrijven gebruiken om goederen of diensten te maken:

  • Tastbaar: machines, gebouwen, grondstoffen, technologie, kapitaal.
  • Ontastbaar: intellectueel eigendom, merken, legitimiteit en reputatie, relaties en netwerken, organisatiecultuur.
  • Menselijk: de kennis en vaardigheden van medewerkers.

Capabilities (capaciteiten) zijn de vaardigheden van een bedrijf om zijn middelen in te zetten om goederen en diensten te maken.

Kort: resources zijn wat je hebt, capabilities zijn wat je ermee kunt.

De resource-based view en het VRINE-model

De resource-based view (grondleggers Wernerfelt, 1984, en Barney, 1991) stelt dat middelen en capaciteiten de belangrijkste basis zijn voor strategie en voor concurrentievoordeel op lange termijn. Het VRINE-model (een uitbreiding van VRIO) toetst een middel in stappen:

ToetsVraagGevolg voor concurrentieGevolg voor prestaties
Valuable (waardevol)Helpt het middel om aan de vraag te voldoen of het bedrijf te beschermen tegen onzekerheid?Kunnen concurreren (ability)Potentieel voor normale winst
Rare (zeldzaam)Is het schaars, of hebben veel concurrenten het?Concurrentievoordeel (CA)Bovengemiddelde winst
Inimitable en Non-substitutable (niet te imiteren, niet te vervangen)Hoe moeilijk is het voor concurrenten om het na te doen of te vervangen?Duurzaam concurrentievoordeel (SCA)Bovengemiddelde winst voor langere tijd
Exploitable (benutbaar)Is het bedrijf zo georganiseerd dat het het middel echt kan benutten?Zo niet, geen voordeelZo niet, lagere prestaties en marktwaarde

Kort gezegd: waardevol en zeldzaam leiden tot concurrentievoordeel; als het middel ook niet te kopiëren en niet te vervangen is, en het bedrijf het kan benutten, is het voordeel duurzaam.

VRINE in de praktijk: Apple en IKEA

Het college scoorde middelen van 1 tot 5 per criterium. Voorbeelden:

  • Reclame en softwareontwikkelaars: waardevol maar niet zeldzaam, en makkelijk na te doen. Resultaat: alleen ability (je kunt meedoen).
  • Het ontwerpteam en interface-ingenieurs: waardevol en zeldzaam, maar op termijn imiteerbaar. Resultaat: CA.
  • Steve Jobs, de kernwaarden en het product-ecosysteem: hoog op alle criteria. Resultaat: SCA.
  • Bij IKEA: Ingvar Kamprad en de grote vestigingen buiten de stad scoren als SCA, winkelindeling en verkopers als ability, design en servicekwaliteit als CA.

Belangrijk is dat de beoordeling verandert in de tijd. Bij de introductie van de iPhone waren het ontwerpteam en het ecosysteem bronnen van duurzaam voordeel; nu scoren veel middelen lager op zeldzaamheid omdat concurrenten hebben ingehaald, en sommige zijn teruggezakt naar ability. Ook de key success factors in de smartphonemarkt zijn veranderd (van touchscreen en interface naar camera, gezondheid, betalen).

Analyseniveau

  • Bedrijf: vaak meerdere productgroepen; middelen worden abstract beoordeeld, weinig gedetailleerd.
  • Divisie: producten binnen één productgroep; specifieker en makkelijker te beoordelen.
  • Business unit, vestiging, team: meestal één product of markt; de koppeling tussen middelen en markt is het duidelijkst en de resultaten zijn het meest gedetailleerd.

Analyseer met oog voor detail en richt de discussie op de factoren die echt het verschil maken. En wees eerlijk: bedrijven overschatten hun eigen sterktes.

Leonard-Barton (1992): kerncompetenties en kernbeperkingen

Kerncompetenties (core capabilities) zijn de kennis en vaardigheden waarmee een bedrijf zich onderscheidt; elk bedrijf koestert ze terecht als kroonjuwelen. Leonard-Barton onderscheidt vier dimensies:

  1. Kennis en vaardigheden van medewerkers;
  2. Technische systemen waarin kennis is vastgelegd (databases, procedures, apparatuur);
  3. Managementsystemen die bepalen hoe kennis wordt opgebouwd en beloond (opleidingen, beloningsstructuren);
  4. Waarden en normen die bepalen welke kennis en welke activiteiten als belangrijk gelden.

De paradox: dezelfde competenties die een bedrijf nu succesvol maken, kunnen bij een verandering in de omgeving kernbeperkingen (core rigidities) worden. Ze maken het moeilijk om nieuwe dingen te leren, omdat medewerkers, systemen en waarden zijn ingericht op het oude. In nieuwe productontwikkeling zie je beide: projecten die passen bij de bestaande competenties krijgen steun, projecten die nieuwe competenties vragen lopen vast. Voor managers is het daarom lastig om de basis van het huidige succes ter discussie te stellen, terwijl dat nodig is om ook in de toekomst succesvol te zijn. Dit sluit aan bij het innovator's dilemma uit hoorcollege 7 en bij de dynamische fit uit hoorcollege 2.

Voor het tentamen
  • KSF's: wat willen klanten en hoe overleef je de concurrentie? Elke bedrijfstak heeft andere KSF's.
  • Value curve en de vier acties (elimineren, verminderen, verhogen, creëren); red versus blue ocean; [yellow tail].
  • Profit pools: waar in de keten wordt de winst verdiend.
  • Waardeketen: vijf primaire en vier ondersteunende activiteiten; Southwest.
  • Resources (tastbaar, ontastbaar, menselijk) versus capabilities (vaardigheid om ze in te zetten).
  • VRINE: V = ability/normale winst, V+R = CA, plus I en N = SCA, E = kunnen benutten. Beoordelingen veranderen in de tijd.
  • Leonard-Barton: vier dimensies van kerncompetenties; competenties kunnen kernbeperkingen worden.

Andere hoofdstukken van Inleiding Marketing en Strategie

Test jezelf met oefenvragen