Doelstelling: theoriegericht en praktijkgericht onderzoek
De doelstelling
Een hulpmiddel dat beknopt en kernachtig vastlegt welke bijdrage het onderzoek beoogt te leveren. De doelstelling legt de basis voor de centrale vraagstelling.
Een onderzoek kan bijdragen aan academische kennis over een fenomeen in organisaties, of aan de praktijk van organisaties. De doelstelling bestaat uit twee delen:
- Extern doel: de theoretische of praktische bijdrage die het onderzoek wil leveren (het doel van het onderzoek).
- Intern doel: welke specifieke kennis nodig is om die bijdrage te leveren (het doel in het onderzoek). Dit vormt de basis voor de vraagstelling.
Criteria voor een goede doelstelling en vraagstelling: helder, haalbaar, relevant, toegespitst en afgebakend; de vraag moet aansluiten bij de doelstelling en gericht zijn op het produceren van nieuwe kennis (dus geen handelingsvraag zoals "wat moet het bedrijf doen?").
Theoriegericht onderzoek
Bij een theoretische doelstelling wil het onderzoek vooral bijdragen aan wetenschappelijke kennis over een verschijnsel in organisaties. Het doen van algemeen geldige uitspraken staat voorop; toepasbaarheid komt pas daarna. Denk aan het leveren van een bijdrage aan theorieën die een aspect van de werkelijkheid in organisaties beschrijven of verklaren. Dit gebeurt vaak binnen universiteiten en hogescholen.
Soorten redeneren binnen theoriegericht onderzoek:
- Deductief: startpunt is theorie. Vanuit bestaande theorie worden waarnemingen gedaan om die te toetsen of te ontkrachten.
- Inductief: startpunt is waarnemingen. Door systematische vergelijking van waarnemingen wordt geabstraheerd tot algemeen geldige uitspraken (hypothesen): theorieontwikkelend.
- Abductief: combinatie van beide. Het onderzoek kan beginnen bij bestaande theorie en wordt aangevuld met bevindingen die nog niet eerder gedaan zijn.
Theorie testen en theorie ontwikkelen
Theorie testen gebeurt in kwalitatief onderzoek vooral via falsificatie. Bevestigen is lastig, omdat je daarvoor een oneindig aantal voorbeelden nodig hebt; voor falsificatie volstaat één tegenvoorbeeld. Wel mogelijk is analytische generalisatie: een sociaal verschijnsel gedetailleerd in kaart brengen, patronen herkennen in hoe het zich voordoet en vervolgens nagaan of de theorie in de praktijk opgaat en onder welke omstandigheden. Soms moet de theorie daarna worden bijgesteld.
Theorieontwikkeling kan via een single case study of via een multiple (comparatieve) case study, waarin meerdere organisaties worden onderzocht en vergeleken. Je kunt dan nagaan hoe een fenomeen in verschillende organisaties voorkomt (in de aantekeningen laws genoemd) en hoe het zich gedraagt. Als organisaties sterk van elkaar verschillen en het fenomeen toch hetzelfde gedrag vertoont, kan een theorie breder worden gegeneraliseerd. Het vergelijken van casestudies heet de method of comparing, met twee varianten:
- Method of agreement: organisaties selecteren die zo veel mogelijk van elkaar verschillen, maar hetzelfde fenomeen kennen.
- Method of difference: organisaties selecteren die zo veel mogelijk op elkaar lijken, maar waarbij het fenomeen niet in elk geval voorkomt.
Kwalitatief onderzoek kan ook een bouwsteen zijn van een grotere theorie, bijvoorbeeld voor een specifiek soort organisatie (building block procedure).
Praktijkgericht onderzoek en de interventiecyclus
Bij een praktische doelstelling wil het onderzoek bijdragen aan het veranderen of verbeteren van de praktijk. Een organisatie heeft een probleem en heeft kennis nodig over de oorzaken ervan. Dit onderzoek wordt vaak in opdracht van organisaties uitgevoerd en sluit aan bij een fase van de interventiecyclus:
- Probleemanalyse: wat is het probleem, waarom en voor wie?
- Diagnose: analyse van de oorzaken van het probleem.
- Ontwerp: mogelijke oplossingen bedenken. Hierbij hoort ex-ante evaluatie: evaluatie vóór uitvoering, om mogelijkheden met elkaar te vergelijken.
- Interventie/implementatie: de oplossing feitelijk toepassen.
- Evaluatie: veranderingen en effecten van de interventie beoordelen. Dit is ex-post evaluatie: evaluatie na afloop.
Kwalitatieve onderzoekers richten zich binnen praktijkgericht onderzoek op het genereren van kennis, niet per se op het ondernemen van actie. Op basis van de cyclus zijn er vijf soorten praktijkgericht onderzoek:
| Soort | Waar gaat het om? |
|---|---|
| Gericht op probleemanalyse | De huidige situatie rond een sociaal fenomeen ophelderen en vaststellen wat problematisch is. |
| Gericht op diagnose | De oorzaken van het sociale fenomeen in een organisatie analyseren. |
| Gericht op ontwerp | Aanbevelingen formuleren voor een interventieontwerp. De onderzoeker ontwerpt niet zelf, maar gebruikt de oplossingen die de organisatie op het oog heeft. Alleen mogelijk na een goede probleemanalyse en diagnose. |
| Gericht op verandering | Een interventie ondersteunen en bijdragen aan het beter implementeren van veranderingen. |
| Gericht op evaluatie | Reeds doorgevoerde veranderingen evalueren aan de hand van bepaalde criteria. |
Andere hoofdstukken van Kwalitatieve Methoden
- Kwalitatief onderzoek en onderzoeksparadigma's
- Vraagstelling, deelvragen en redeneerwijzen
- Onderzoeksstrategieën en onderzoeksbenadering
- De enkelvoudige casestudy
- Meervoudige casestudy en theorieontwikkeling
- Documenten en participerende observatie
- Het open interview
- Kwalitatieve inhoudsanalyse en coderen
- Kwaliteit, reflexiviteit en ethiek
- Rapporteren: conclusie en discussie