Onderzoeksstrategieën en onderzoeksbenadering
Het gehele plan voor het uitvoeren van het onderzoek (Bleijenbergh H3).
Zes onderzoeksstrategieën
1. Etnografie. De onderzoeker participeert en observeert gedurende langere tijd in de leefwereld van de onderzochte mensen. Geschikt om een beeld te krijgen van culturen en van hoe gedeelde betekenissen tot stand komen, en uitstekend om vast te leggen hoe een sociaal fenomeen in het dagelijks leven tot uiting komt. Werkt vanuit het emic-perspectief en is inductief: observaties en ervaringen vormen de basis voor inzichten en theorie. Volgens Myers (2020) geschikt voor organisatiecultuur; de methode komt uit de sociale en culturele antropologie (Malinowski, 1922). Verschil met de casestudy: sterkere nadruk op participerende observatie en vaak een langere duur.
2. Grounded Theory Approach (GTA, gefundeerde theoriebenadering). Nieuwe theorie ontwikkelen op basis van data in plaats van bestaande theorie te toetsen; je begint niet met een hypothese maar met dataverzameling. Gericht op het begrijpen van een sociaal verschijnsel vanuit de kennis van direct betrokkenen. Open interviews zijn de primaire methode. Epistemologisch: kennis moet verkregen worden via de mensen die betekenis geven aan het fenomeen. De werkwijze is inductief: zo min mogelijk beïnvloed door bestaande kennis.
3. Actieonderzoek. Gericht op verandering: de onderzoeker werkt samen met betrokkenen aan verbetering en produceert tegelijk wetenschappelijke kennis. Deelnemers hebben een dubbele rol: primaire informatiebron én deelnemer aan analyse, interpretatie en het doorvoeren van veranderingen. Emic, participatief en veelzijdig in dataverzameling (inductief, deductief en abductief). Verschil met praktijkgericht onderzoek: actieonderzoek levert ook een wetenschappelijke bijdrage, niet alleen een praktische oplossing.
4. Narratief onderzoek. Haalt verhalen op en laat zien hoe mensen via hun levensverhalen hun eigen werkelijkheid creëren. Verschil met GTA: bij narratief onderzoek worden interviews en gesprekken gezien als middelen waarmee mensen de sociale werkelijkheid construeren; bij GTA analyseert de onderzoeker hoe mensen betekenis toekennen aan de sociale werkelijkheid.
5. Archiefonderzoek. Gericht op het verzamelen en analyseren van documenten (brieven, notities, notulen, e-mails). Documenten vormen vaak de basis voor een beschrijving of verklaring van de ontwikkeling van een fenomeen door de tijd.
6. Casestudy. Het bestuderen van één of enkele dragers van een sociaal verschijnsel in de natuurlijke omgeving, gedurende een bepaalde periode, met diverse databronnen, om uitspraken te doen over onderliggende patronen en processen. In een casestudy komen alle kwalitatieve methoden samen (interviews, participerende observatie, documenten); het combineren daarvan heet triangulatie. Zie verder het hoofdstuk over de enkelvoudige casestudy.
Keuze voor de onderzoeksbenadering en operationalisatie
| Benadering | Kenmerk | Operationalisatie |
|---|---|---|
| Inductief | Zo min mogelijk vooraf vastleggen, het veld zo open mogelijk benaderen. Sluit aan bij GTA. | Sensitizing concepts op basis van literatuur: niet strak geoperationaliseerd, maar genoeg om de dataverzameling richting te geven en bij te sturen. |
| Deductief | Theoretisch gestuurd; volgt hoe abstracte begrippen in de literatuur zijn vertaald naar iets empirisch waarneembaars. | Vooraf gedetailleerd geoperationaliseerd in een boomstructuur: concepten, dimensies (eventueel subdimensies) en indicatoren. |
| Abductief | Enige theoretische verwachtingen vooraf, maar tijdens dataverzameling en analyse kunnen nieuwe patronen worden gevonden. | Start met een (deductieve) structuur, met ruimte voor onverwachte bevindingen. |
Overzicht deductief en inductief onderzoek
| Deductief | Inductief | |
|---|---|---|
| Startpunt | Bestaande theorie, vooraf vastgelegde concepten en verwachtingen | Empirisch materiaal, zo min mogelijk aannames vooraf |
| Doel | Theorie toetsen, nuanceren of falsifiëren; oorzaak-gevolg (X naar Y) verklaren | Patronen ontdekken, nieuwe concepten of theorie ontwikkelen, betekenisgeving begrijpen |
| Kenmerken | Top-down, gestructureerd ontwerp, minder ruimte voor onverwachte bevindingen | Bottom-up, open en flexibel, iteratief; vraagstelling kan zich ontwikkelen |
| Analyse | Codeboom van abstract naar concreet | Van concreet naar abstract: open, axiaal, selectief coderen |
| Past bij | Positivisme, verklarend en theoriegericht onderzoek, casestudies gericht op falsificatie of theoretische herhaling | Interpretivisme, exploratief onderzoek, GTA, etnografie, narratief onderzoek, casestudies gericht op theorie- en typologieontwikkeling |
Methoden van dataverzameling vergeleken
| Methode | Voordeel | Nadeel |
|---|---|---|
| Open interview | Veel gerichte informatie in korte tijd | Kans op sociaal wenselijke antwoorden |
| Participerende observatie | Meer valide weergave van gedrag rond het fenomeen | Lastig om informatie over het verleden te krijgen; mensen kunnen sociaal wenselijk gedrag gaan vertonen |
| Documenten | Valide weergave van veranderingen; weinig risico op sociale wenselijkheid | Weinig inzicht in de ervaringen van mensen |
Contact leggen kan face-to-face, telefonisch, per brief, per e-mail, via sociale media of via een contactpersoon. Verslag uitbrengen kan per mail, per post, door het rapport persoonlijk te overhandigen of door het onderzoek te presenteren.
Andere hoofdstukken van Kwalitatieve Methoden
- Kwalitatief onderzoek en onderzoeksparadigma's
- Doelstelling: theoriegericht en praktijkgericht onderzoek
- Vraagstelling, deelvragen en redeneerwijzen
- De enkelvoudige casestudy
- Meervoudige casestudy en theorieontwikkeling
- Documenten en participerende observatie
- Het open interview
- Kwalitatieve inhoudsanalyse en coderen
- Kwaliteit, reflexiviteit en ethiek
- Rapporteren: conclusie en discussie