Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

HC 5: Kwalitatief onderzoek, casestudy en interventie

Naast kwantitatief onderzoek behandelt het methodecollege kwalitatief onderzoek, de casestudy en interventiemethoden. Vennix (hoofdstuk 10 en paragraaf 13.1) legt uit waarom sommige onderzoekers vinden dat je de sociale werkelijkheid anders moet bestuderen dan de natuur, hoe dat in de praktijk werkt en hoe praktijkgericht onderzoek verschilt van onderzoek dat alleen kennis zoekt. Voor je onderzoeksplan is dit relevant als je kiest voor interviews of een casestudy, en om te begrijpen waarom het vak van je vraagt theoriegericht onderzoek te ontwerpen.

Start hier als dit nieuw voor je is
  • Paradigma: een samenhangende visie op wat werkelijkheid is en hoe je er kennis over krijgt.
  • Interpretatief: gericht op begrijpen hoe mensen betekenis geven aan hun situatie.
  • Positivisme: de opvatting dat sociale verschijnselen net als natuurverschijnselen objectief gemeten en verklaard kunnen worden.

Wat is kwalitatief onderzoek?

Onder kwalitatief onderzoek valt een bonte verzameling benaderingen: etnografie, grounded theory, fenomenologie, hermeneutiek, constructivisme en meer. Volgens Denzin en Lincoln is de gemeenschappelijke noemer een interpretatieve, naturalistische benadering: onderzoekers bestuderen verschijnselen in hun natuurlijke omgeving en proberen ze te begrijpen vanuit de betekenis die mensen eraan geven. Kwalitatief onderzoek zet zich af tegen het positivisme.

De sociale werkelijkheid is in deze visie een door mensen geconstrueerde werkelijkheid. Het doel is via Verstehen de betekenisgeving van actoren te reconstrueren: het actorperspectief staat centraal. Niet de methode bepaalt hoe je iets onderzoekt, maar het onderwerp van studie.

Consequenties voor empirisch onderzoek

Dicht bij het onderzoeksobject. De onderzoeker wil zo dicht mogelijk bij de belevingswereld komen, in een natuurlijke setting, en zo weinig mogelijk verstoren. Dat lukt nooit helemaal: wie wil weten hoe mensen in een organisatie omgaan met een plotseling begrotingstekort, moet meedoen om iets te zien en te horen. Dit heet participerende observatie. Bij organisatiecultuur is dat extra belangrijk, omdat normen en waarden vaak vanzelfsprekend zijn: mensen zijn zich er niet van bewust en kunnen er dus slecht over vertellen. Met een member check ga je na of jouw beschrijving overeenkomt met hoe de onderzochten het zelf zien, om te voorkomen dat je je eigen ideeën erin leest.

De rol van begrippen. Kwantitatief onderzoek maakt eerst een conceptueel model en toetst dat; kwalitatief onderzoek gaat uit van de begrippen die mensen zelf in hun dagelijks leven gebruiken. Toch gaat een kwalitatief onderzoeker niet zonder theorie het veld in. Hij gebruikt sensitizing concepts (Blumer): richtinggevende begrippen die niet vooraf worden geoperationaliseerd, maar in de loop van het onderzoek via constante vergelijking worden aangescherpt. Het theoretisch kader ontwikkelt zich dus tijdens het onderzoek. Alleen verhalen optekenen is niet genoeg: de onderzoeker moet reflecteren en de betekenisvolle werkelijkheid in begrippen objectiveren.

Iteratieve werkwijze. De onderzoeker doorloopt herhaaldelijk de cyclus observatie, analyse, reflectie (Wester). Na de eerste waarnemingen gaat hij gerichter terug het veld in en kiest bewust nieuwe situaties: theoretical sampling, tegenover de statistische (random) steekproef in kwantitatief onderzoek. Op een gegeven moment levert nieuw materiaal geen nieuwe inzichten meer: verzadiging (saturation). Dan is het empirische deel klaar. Kwantitatief onderzoek doorloopt de fasen juist lineair: conceptueel model, empirisch model, observatie, analyse, evaluatie.

Holistische benadering. Kwalitatief onderzoek bestudeert een verschijnsel als geheel in plaats van losse eigenschappen en relaties (wat als reductionistisch wordt gezien). Daarom gebruikt men vaak meerdere bronnen naast elkaar: documenten, observaties, interviews. Dat heet triangulatie (Denzin): wijzen de bronnen dezelfde kant op, dan groeit het vertrouwen in de conclusies; wijken ze af, dan moet je uitzoeken waarom.

KwantitatiefKwalitatief
TraditieEmpirisch-analytischInterpretatief
DoelRelaties tussen variabelen toetsen, generaliseren naar een populatieBetekenisgeving door mensen begrijpen
DataGetallen, statistiekWoorden, betekenissen
TheorieVooraf, conceptueel model wordt getoetstOntwikkelt zich tijdens het onderzoek
WerkwijzeLineairIteratief tot verzadiging
SelectieAselecte steekproefTheoretical sampling
Typische dataverzamelingVragenlijst bij veel respondentenOpen interviews, participerende observatie, documenten

Wetenschapsfilosofische stromingen

Het college plaatste onderzoeksstrategieën in een schema met twee dimensies: de positie van de onderzoeker (toeschouwer of deelnemer) en de focus van het onderzoek (begrijpen of ingrijpen).

BegrijpenIngrijpen
ToeschouwerOntdekken: positivisme en post-positivismeOntwerpen: pragmatisme
DeelnemerToekennen: sociaal constructivisme en interpretivismeTransformeren: kritische theorie en participatoir paradigma

De casestudy

Yin definieert een casestudy als empirisch onderzoek dat (1) een hedendaags verschijnsel bestudeert in de echte context, (2) wanneer de grenzen tussen verschijnsel en context niet duidelijk zijn, en (3) waarbij meerdere bronnen van bewijs worden gebruikt. Het tweede kenmerk maakt de afbakening van de case soms lastig.

Swanborn noemt zes kenmerken: het bestuderen van een sociaal verschijnsel (a) bij één of enkele dragers, (b) in de natuurlijke omgeving, (c) over een periode, (d) met meerdere databronnen (triangulatie: documenten, interviews met sleutelpersonen, participerende observatie), (e) met een gedetailleerde beschrijving en verklaring van processen, en (f) met toetsing van beschrijvingen bij de onderzochten (member check). Het verschil met de survey: een survey bekijkt weinig kenmerken bij veel eenheden, een casestudy veel kenmerken bij weinig eenheden.

Wanneer kies je een casestudy? Volgens Yin als (1) je wilt weten hoe of waarom iets precies verloopt, en (2) de onderzoeker weinig controle heeft over de situatie of het verschijnsel niet uit zijn context wil halen. Dat is precies het zwakke punt van het experiment (externe validiteit). Ook bij zeldzame verschijnselen heb je weinig keus.

Soorten casestudies: exploratief, beschrijvend en verklarend; daarnaast enkelvoudig (één case) en meervoudig (meerdere cases, wat een theorie sterker onderbouwt; Janis gebruikte voor zijn theorie over groupthink zowel cases met als zonder groupthink). Eén case volstaat bij een critical case (voldoet aan alle voorwaarden van een theorie en kan haar dus toetsen), een extreme of unieke case (een zeldzaam verschijnsel) of een revelatory case (een onthullend geval dat eerder ontoegankelijk was).

Caseselectie: bij theoretische replicatie kies je bewust contrasterende cases die de theorie voorspelt (bijvoorbeeld een groot en een klein politiebureau als de theorie zegt dat omvang verzuim beïnvloedt). Geeft de theorie vooraf richting, dan heet dat dimensional sampling; ontdek je pas gaandeweg welke volgende case je nodig hebt, dan is het theoretical sampling.

Hoofdstuk 1.2 (de modeondernemers) is een voorbeeld van een verkennende meervoudige casestudy.

Onderzoek versus interventie

In de managementwetenschappen gaat het om sturing: governance in het publieke domein en management in het private. Sturing draait om handelen om een situatie te veranderen; onderzoek draait om weten.

Interventie of sturingOnderzoek
Handelen, doen, interveniërenWeten, denken, observeren
Startpunt: handelingsprobleem (praktijkprobleem)Startpunt: kennisprobleem
Product: een veranderde situatieProduct: kennis (rapport, artikel)

Beide werelden lopen in elkaar over: om iets te weten moet je wat doen, en verstandig handelen vraagt denken. Het cruciale verschil zit in het product.

Twee handelingscycli

De DOVE-cyclus uit de bedrijfskunde gaat over het (her)ontwerpen van organisaties: Diagnose (probleem definiëren), Ontwerp, Verandering (interventie) en Evaluatie (heeft het ontwerp het probleem opgelost?). De evaluatie kan leiden tot een nieuwe diagnose.

Het woord diagnose wijst op het verschil tussen symptoom en oorzaak. Wie alleen symptomen bestrijdt (een zalfje tegen vlekken terwijl de ziekte doorwoekert), lost het probleem niet op. Hoog verzuim is vaak een symptoom; korten op uitkeringen zonder naar de werkdruk te kijken is symptoombestrijding. Een goede diagnose bevat dus een analyse van oorzaken.

De beleidscyclus (naar Dunn) komt uit de bestuurskunde: probleemstructurering leidt tot een probleemdefinitie, daaruit volgen opties, een geselecteerde maatregel, implementatie, monitoring met indicatoren en evaluatie, die weer tot herdefinitie kan leiden. Voorbeeld: een lagere maximumsnelheid op ringwegen om de leefomgeving te verbeteren, gemonitord met indicatoren als geluidsoverlast en luchtvervuiling. Beide cycli laten zien dat sturing een doorlopend proces in iteraties is, niet een eenmalig "probleem, oplossing, klaar".

Praktijkgericht onderzoek (ook opdracht- of beleidsonderzoek genoemd) past kennis toe of genereert die om praktijkproblemen op te lossen. Een belangrijk onderdeel is probleemstructurering: in organisaties gaat het vaak al mis bij het definiëren van het probleem, mede omdat meerdere mensen erbij betrokken zijn.

Interventiemethoden: systeemdynamica en group model building

SysteemdynamicaGroup model building (GMB)
DoelHet gedrag van een verschijnsel in de tijd modellerenConsensus en draagvlak bereiken
WerkwijzeModel bouwen op basis van literatuur, externe data en experts (kwantitatief)Groepen stakeholders bouwen samen een model (kwalitatief)

Systeemdynamica gebruikt causal loop diagrams: schema's van oorzaak-gevolgrelaties met terugkoppelingslussen, bijvoorbeeld hoe de omvang van een organisatie, de werkdruk en de klanttevredenheid elkaar over en weer beïnvloeden, of hoe energievraag, uitstoot en temperatuurstijging samenhangen in een klimaatmodel. Een versterkende lus laat iets steeds sterker groeien; een balancerende lus remt af. Dit sluit aan bij de positieve terugkoppelingslussen uit hoofdstuk 2.3 over circulair ondernemen.

Voor het tentamen
  • Ken de kern van kwalitatief onderzoek: interpretatief, naturalistisch, Verstehen, participerende observatie, member check, sensitizing concepts, iteratief, theoretical sampling, verzadiging, holisme en triangulatie.
  • Ken het vier-kwadrantenschema van wetenschapsfilosofische stromingen.
  • Ken de definitie van Yin, de kenmerken van Swanborn, wanneer een casestudy past en de soorten (critical, extreem of uniek, revelatory; enkelvoudig of meervoudig).
  • Ken het verschil tussen onderzoek en interventie, de DOVE-cyclus, symptoom versus oorzaak en de beleidscyclus.
  • Ken het verschil tussen systeemdynamica en group model building.

Andere hoofdstukken van Duurzaam Ondernemerschap

Test jezelf met oefenvragen