Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

WG 6: Onderzoeksplan en persoonlijk manifest

Dit hoofdstuk brengt alles samen in de twee eindproducten. Wat moet er in het onderzoeksplan staan, hoe hangen de onderdelen samen en waarop wordt het beoordeeld? En wat maakt een persoonlijk manifest sterk? De eerste intervisie (werkgroep 6) staat in het teken van deze twee producten: je levert werk in, stelt gerichte vragen en krijgt feedback. Geen vragen betekent geen feedback. Wie de eisen en criteria kent, kan de stof uit de vorige hoofdstukken gericht inzetten.

Start hier als dit nieuw voor je is
  • APA: de verwijsstijl van de American Psychological Association. In dit vak de zevende editie (APA 7).
  • Theoretische achtergrond: het deel van een onderzoeksplan waarin je laat zien wat de literatuur al weet over je onderwerp.
  • Consistentie: alle onderdelen sluiten logisch op elkaar aan: probleem, vraag, theorie en methode.

Het onderzoeksplan: vier onderdelen

Het onderzoeksplan beschrijft een onderzoek dat nog moet worden uitgevoerd: wat, waarom en hoe. Empirisch onderzoek is tijdrovend en kostbaar, dus je denkt vooraf goed na. Het plan moet gebaseerd zijn op wetenschappelijke literatuur, voldoen aan APA en in wetenschappelijke stijl geschreven zijn. Het bestaat uit vier onderdelen die op elkaar aansluiten:

OnderdeelInhoudOmvang
1. Inleiding1.1 achtergrond over duurzaam ondernemerschap (met minstens een definitie uit de literatuur); 1.2 onderwerp en probleem; 1.3 doel- en vraagstelling (hoofd- en deelvragen); 1.4 wetenschappelijke relevantie en praktische bijdrage; 1.5 opzet van het planMax. 1000 woorden
2. Theoretische achtergrondLiteratuuroverzicht en debatten; ongeveer drie tot vier subparagrafen, met een inleidende alinea en een afsluitende samenvatting en conclusieMax. 2000 woorden
3. OnderzoeksopzetHerhaal doel- en vraagstelling; 3.1 onderzoeksmethode of strategie; 3.2 dataverzameling en beoogde respondenten, met onderbouwing van elke keuzeMax. 1000 woorden
4. Kritische reflectieHoe zag ieder zijn bijdrage, hoe verliep het groepsproces, wat heb je geleerd over samenwerken
5. ReferentielijstAlle bronnen volgens APA

Het totaal ligt tussen 3500 en 4500 woorden. Het plan wordt gaandeweg herschreven: wat je in week 3 inlevert, ziet er aan het eind anders uit, en dat proces van aanscherpen telt mee.

De theoretische achtergrond

De theoretische achtergrond laat zien welke definities er zijn, hoe die zich tot elkaar verhouden en welke het best bij je onderzoek passen; welke theorieën worden gebruikt en welke voor jou het relevantst zijn. Een sterke achtergrond geeft je onderzoek relevantie (je bouwt voort op wetenschappelijke theorie) en richting (ze vormt de basis voor je methodologische keuzes).

Belangrijk: de theoretische achtergrond is geen opsommende samenvatting van artikelen. Om dat te voorkomen moet je het onderzoeksveld goed begrijpen. Eén of twee alinea's uit een artikel lezen is niet genoeg en leidt tot interpretatiefouten en een gebrek aan kritische reflectie. Literatuurstudie en onderzoeksvraag ontwikkelen zich iteratief (zie "HC 5: Van onderwerp naar doel- en vraagstelling").

De onderzoeksopzet

Hier kies je tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek en leg je uit waarom die strategie past bij doel en vraag. Je beschrijft de dataverzameling en de respondenten zo concreet mogelijk: hoeveel, wie, waarom deze mensen, wat is de ideale samenstelling (functie, leeftijd, gender) en het ideale aantal interviews of vragenlijsten, en waarom. Een handige oefening uit de werkgroep: bedenk ook welke onderzoeksvraag je zou stellen als je de andere methode zou kiezen. Dat laat zien dat vraag en methode bij elkaar horen.

Beoordeling van het onderzoeksplan

Voorwaarden (anders een 1,0): 3500 tot 4500 woorden, correcte APA 7-verwijzingen, geen plagiaat en AI-gebruik volgens de regels. Daarna acht criteria:

  1. Onderzoeksdoel en onderzoeksvraag: duidelijk en passend binnen duurzaam ondernemerschap.
  2. Relevantie: wetenschappelijke bijdrage en concrete praktische implicaties voor stakeholders.
  3. Theoretische achtergrond: kritische bespreking van de huidige stand van de literatuur.
  4. Methode: duidelijke, goed onderbouwde keuzes voor methode en dataverzameling.
  5. Consistentie: alle elementen passen bij elkaar; de theorie geeft richting en de methode beantwoordt de vraag.
  6. Stijl en structuur: compleet, helder, foutloos, wetenschappelijke schrijfstijl.
  7. Samenwerking en voortgang: kritische reflectie op samenwerking en teamrollen, goede planning en wekelijkse voortgang.
  8. Pitch: overtuigend, creatief, duidelijk en goed gestructureerd.

Elk criterium krijgt O (onvoldoende), V (voldoende), G (goed) of ZG (zeer goed). Als richtlijn: meer dan één onvoldoende die niet door een goed gecompenseerd wordt, geeft een 5 of lager; voldoendes (of gecompenseerde onvoldoendes) geven een 6 tot 7; voldoendes met enkele goeds een 7 tot 8; minstens goed op alle aspecten een 8 of hoger.

Format: Word-document, voorblad met opleiding, cursus, jaar, datum, naam, studentnummer, opdracht, werkgroep en docent; Times New Roman of Calibri 12, regelafstand 1,5, genummerde hoofdstukken, paginanummers. Zorgvuldig proeflezen voorkomt naar schatting 90% van de fouten.

Het persoonlijk manifest

Een manifest is een weergave van de standpunten van een persoon of groep, zoals een verkiezingsprogramma. Een persoonlijk manifest beschrijft jouw stellingname in heldere, beargumenteerde uitspraken over de zin en onzin van duurzaam ondernemerschap, en laat zien hoe je standpunt is ontstaan en veranderd door wat je in de cursus leerde. Het combineert dus reflectie (kritisch nadenken over je eigen ideeën, gedachten en gevoelens en wat je ervan leert) met argumentatie en een duidelijke positionering.

Een manifest is meer dan vragen beantwoorden, opsommen wat je meemaakte, benoemen wat je voelt of een kritische blik zonder onderbouwing. De feedback onderscheidt beschouwen (beschrijven), beargumenteren (onderbouwen waarom) en reflecteren (nagaan hoe je denken verandert en wat je ervan leert).

Eisen en aandachtspunten:

  • 1600 tot 2500 woorden inclusief titel en referenties (daarbuiten 0,5 punt aftrek);
  • schrijf in de ik-vorm;
  • verleden tijd voor ervaringen die plaatsvonden, tegenwoordige tijd voor interpretatie en evaluatie;
  • onderbouw met voorbeelden, vermijd vage taal en platitudes;
  • interpreteer en evalueer vanuit je eigen perspectief in plaats van alleen samen te vatten;
  • oordeel niet; wees constructief kritisch op jezelf en anderen;
  • maak er één lopend verhaal van met een inleiding, een titel die bij je hoofdboodschap past en een pakkende slotconclusie waarin je jezelf positioneert.

De weekplanning: week 1 je beginstandpunt (ongeveer 200 tot 300 woorden), week 2 en 3 reflecties op literatuur en werkgroepdiscussies, week 4 reflectie op panel en interview, week 5 discussies buiten de universiteit (familie, vrienden, werk), week 6 een slotconclusie, week 7 de eindversie.

Het manifest wordt op zes criteria beoordeeld: zelfbewustzijn en persoonlijke reflectie (zichtbaar leerproces), argumentatie, standpunt en positionering, inhoud en bronnen (zowel theorie als praktijk: literatuur, colleges, interview, panel), consistentie (logische stroom) en stijl en structuur. De omrekening naar een cijfer volgt dezelfde richtlijn als bij het onderzoeksplan.

Bronnen in je manifest: verwijs naar de cursusliteratuur (hoofdstukken 1.2, 2.1, 2.2, 2.3 en 4.1 en de blogpost) en naar praktijkervaringen. Colleges en gesprekken vermeld je als persoonlijke communicatie. Een docent merkte op dat bij reflecties vaak niet zichtbaar werd hoe het idee van de student zich in de loop van de cursus ontwikkelde: dat is precies wat het manifest moet laten zien. Een voorbeeld van een krachtig manifest uit de praktijk was een publiek manifest van een bekende Nederlandse mediaondernemer: zonder bronnenlijst, maar met heldere standpunten.

Voorbeeld van een sterke versus zwakke passage

Zwak: "Ik vind duurzaamheid heel belangrijk en bedrijven moeten meer doen. Greenwashing is slecht." Dit is een mening zonder onderbouwing of ontwikkeling.

Sterk: "Aan het begin van de cursus dacht ik dat duurzaam ondernemen vooral duur was. Uit het onderzoek van Bohnsack en DiVito bleek dat duurzame ondernemers geld juist het minst belangrijke motief vinden, en in ons interview vertelde de ondernemer dat duurzaamheid haar ook kosten bespaart. Ik zie duurzaamheid daarom nu niet meer als kostenpost, maar als onderdeel van het verdienmodel. Wel blijf ik kritisch: de waarden-actiekloof laat zien dat consumenten niet vanzelf meebewegen." Hier zie je ervaring (verleden tijd), bron, verandering van standpunt en een kritische kanttekening.

Voor het tentamen
  • Ken de vier onderdelen van het onderzoeksplan, de woordlimieten en wat in elke paragraaf van de inleiding hoort.
  • Weet waarom de theoretische achtergrond geen opsomming mag zijn en wat ze bijdraagt (relevantie en richting).
  • Ken de acht beoordelingscriteria, vooral consistentie, en de richtlijn voor de omrekening naar een cijfer.
  • Ken de eisen aan het manifest: ik-vorm, tijden, woordenaantal, onderbouwing, positionering, één lopend verhaal.
  • Onderscheid beschouwen, beargumenteren en reflecteren.

Andere hoofdstukken van Duurzaam Ondernemerschap

Test jezelf met oefenvragen