Naar de inhoud
Steven’s StudyHub

HC 5: Van onderwerp naar doel- en vraagstelling

Na de oriëntatiefase moet je team een onderwerp omzetten in een onderzoek. De eerste en lastigste stap is een goede doelstelling en vraagstelling formuleren. Dit hoofdstuk volgt het methodecollege en de paragrafen 5.1 tot en met 5.3 van Vennix. Je leert waar onderzoeksvragen vandaan komen, waarom literatuurstudie en vraagstelling elkaar afwisselen, aan welke eisen een doelstelling en vraagstelling moeten voldoen en welke soorten vragen er zijn. Alles in je onderzoeksplan bouwt hierop voort: de methode moet passen bij de vraag.

Start hier als dit nieuw voor je is
  • Probleemstelling: de combinatie van doelstelling (waarom doe je het onderzoek, welke kennis levert het op) en vraagstelling (wat wil je precies weten).
  • Kennisprobleem: er is iets wat we niet weten. Handelingsprobleem: iemand wil iets veranderen of oplossen.
  • Hypothese: een veronderstelling over de werkelijkheid die je met gegevens kunt toetsen.

De onderzoekscyclus

Vennix en het hoorcollege tonen de hoofdfasen van empirisch onderzoek. Aan de linkerkant staan literatuurstudie, probleemstelling en conceptueel model, die sterk met elkaar verweven zijn. Daarna volgt de operationalisatie (begrippen meetbaar maken), dan het empirische deel in engere zin: waarneming of dataverzameling, datapreparatie (bijvoorbeeld fouten verwijderen en schalen construeren) en analyse. Tot slot de conclusies, die antwoord geven op de vraagstelling en terugkoppelen naar de literatuur. Elk onderzoek roept weer nieuwe vragen op.

Het college verdeelt dit in drie blokken: ontwerp (probleemanalyse, doelstelling, vraagstelling, definiëring, operationalisering), uitvoering en rapportage (conclusies als antwoord op de vraagstelling, discussie en aanbevelingen als bijdrage aan de doelstelling). In dit vak schrijf je alleen het ontwerp.

Van idee naar onderzoeksvraag: literatuurstudie

Een goed onderzoek start met één of meer gerichte vragen. Die ontstaan vaak uit een opvallende regelmaat (waarom zijn tevreden klanten toch niet loyaal?) of uit iets wat je leest. In het dagelijks leven nemen mensen snel genoegen met een verklaring; wetenschappers gaan verder en zoeken eerst uit wat er al bekend is. Dat is de literatuurstudie.

Het proces is iteratief: je begint met een vaag idee, schrijft het op, leest literatuur, scherpt je vraag aan (of verwerpt hem), leest opnieuw, en zo verder. Na enkele rondes ontstaat een bruikbare vraagstelling. Het helpt om je tekst aan anderen te laten lezen: begrijpen ze wat je bedoelt en wat vinden ze ervan?

Wetenschap is een collectieve bezigheid: onderzoekers bouwen voort op de bestaande kennis (body of knowledge). Het heeft geen zin om onderzoek te doen naar iets wat al onderzocht is, waarvan al duidelijk is dat het niets oplevert, of dat niet voortbouwt op wat bekend is. Een literatuurstudie heeft vier doelen:

  1. nagaan welke begrippen onderzoekers gebruiken en hoe ze die definiëren;
  2. nagaan welke vragen al gesteld en empirisch onderzocht zijn (en systematisch noteren met bron);
  3. vaststellen wat de belangrijkste conclusies zijn;
  4. komen tot een nieuwe vraagstelling die logisch aansluit bij de literatuur.

Let op: een literatuurstudie gaat vooraf aan het empirisch onderzoek, maar is zelf geen empirische waarnemingsmethode. Dat is het verschil met de systematische literatuurstudie (SLR) uit Academische Vaardigheden: bij een SLR is de literatuur je data; bij empirisch onderzoek verzamel je nieuwe gegevens uit de werkelijkheid en mondt de literatuurstudie uit in de theoretische achtergrond.

Waar komt de relevantie van je vraag vandaan? Een vraag kan wetenschappelijk relevant zijn (je zoekt iets uit waarover nog niets of weinig bekend is) of maatschappelijk of praktisch relevant (het antwoord helpt een maatschappelijk of praktisch probleem op te lossen). Beide kan ook.

Theoriegericht en praktijkgericht onderzoek

TheoriegerichtPraktijkgericht
AanleidingHiaten in de theorie, een onontgonnen terrein, tegenstrijdige resultatenEen probleem in een organisatie of van een opdrachtgever, een fase in de interventiecyclus
DoelBijdragen aan nieuwe kennisBijdragen aan verandering
StartpuntLiteratuurstudieEen handelingsprobleem, daarna literatuur om te zien welke kennis bruikbaar is

In beide gevallen is de vraag: welke kennis is nodig, en zijn er theorieën die al een voorlopig antwoord geven? Bij theoretisch onderzoek kan kennis een theorie laten zien als (deels) onjuist, of helpen kiezen tussen twee rivaliserende theorieën. In dit vak ontwerp je theoriegericht onderzoek met wetenschappelijke relevantie; daarom kies je tussen kwalitatief en kwantitatief. Veel studenten formuleren in eerste instantie vragen gericht op het verbeteren van de praktijk, en die passen beter bij praktijkgericht onderzoek met interventiemethoden. Zulke vragen moeten dus worden aangepast.

Eisen aan de doelstelling

De doelstelling van empirisch onderzoek is altijd nieuwe kennis opleveren. Vennix noemt de volgende eisen:

  1. Formuleer haar als doelstelling, niet als vraag. Een doelstelling eindigt nooit met een vraagteken.
  2. Geef specifiek aan welke kennis wordt opgeleverd. "Kennis verkrijgen" is een open deur, want elk onderzoek levert kennis op.
  3. Laat de doelstelling aansluiten op het handelingsprobleem (bij praktijkgericht onderzoek). Doe alsof het onderzoek klaar is: stel je de mogelijke uitkomsten voor en vraag je af of je daarmee het probleem kunt aanpakken.

Het voorbeeld van Vennix: een organisatie heeft een hoog ziekteverzuim. Het onderzoek wordt opgezet om "verschillen in verzuim tussen afdelingen" te vinden. Maar als je weet dát afdelingen verschillen, weet je nog niet wat je moet doen. Wie aanknopingspunten voor handelen zoekt, moet iets weten over de oorzaken. Een betere doelstelling: inzicht krijgen in (1) de verschillen in verzuim tussen afdelingen en (2) de oorzaken van die verschillen.

Twee kanttekeningen. Ten eerste kan een organisatie ook brainstormen in plaats van onderzoek doen, maar ideeën berusten vaak op impliciete veronderstellingen over oorzaken (bijvoorbeeld: werk is saai, dus taakroulatie helpt) die onjuist kunnen zijn. Ten tweede is kennis van oorzaken noodzakelijk maar niet voldoende: een oorzaak moet ook beïnvloedbaar zijn. Als blijkt dat verzuim vooral komt door privéproblemen van werknemers, weet de directeur wel de oorzaak, maar kan hij er weinig aan doen.

Een tip: veel studenten formuleren hun doelstelling "obligaat". Stel jezelf twee vragen: wat wil ik eigenlijk precies weten, en waarom wil ik dat weten? En een derde: hoe ga ik dat onderzoeken en waarom op deze manier?

Eisen aan de vraagstelling

Verschuren noemt drie eisen:

  1. Aansluiten op de doelstelling. "Wat is er bekend over oorzaken van verzuim?" sluit niet goed aan: dat gaat over oorzaken in het algemeen, niet over deze organisatie.
  2. Specifiek en haalbaar. "In dit onderzoek houden we ons bezig met politieke interesse" is geen vraag en veel te breed. Je moet de vraag inperken: van onderzoeksveld (bijvoorbeeld arbeidsomstandigheden) via een topic (ziekteverzuim) naar een concrete vraagstelling. Inperken kan naar subsystemen (alleen universiteiten in plaats van het hele hoger onderwijs) of naar aspecten (alleen de kwaliteit van het onderwijs).
  3. Een kennisvraag, geen handelingsvraag. "Hoe kan politieke apathie worden teruggedrongen?" vraagt wat je moet doen en is als empirische vraagstelling onjuist. Let op: niet elke hoe-vraag is een handelingsvraag. "Hoe hebben vergelijkbare bedrijven het verzuim bestreden?" is een kennisvraag, want je kunt het onderzoeken.

Daarnaast: een probleemstelling voor empirisch onderzoek bevat geen conceptuele vragen zoals "wat is ziekteverzuim?". Die beantwoord je zelf vooraf met literatuur. Alle hoofd- en deelvragen moeten empirische vragen zijn.

Uit het werkgroepmateriaal komen vier kenmerken van een goede voorlopige onderzoeksvraag: open (geen ja/nee-vraag), specifiek en afgebakend, gaat over (theoretische) concepten, en richt zich op beschrijving, verkenning, verklaring, toetsing of voorspelling van relaties tussen variabelen of onderliggende dimensies.

Slechte vragen verbeteren

Slechte vraagProbleemBeter
Wat vinden werknemers van hun werk?Te breed om richting te gevenIn welke mate vinden werknemers hun werk afwisselend en uitdagend?
In dit onderzoek beschrijf ik de cultuur van studenten en werkende jongeren.Geen vraag, en te breedWat zijn de belangrijkste verschillen en overeenkomsten in waarden en normen tussen studenten en werkende jongeren?
Hoe gedragen studenten zich die te weinig studiepunten halen doordat ze te veel feesten?Kromme zin, verborgen veronderstelling (feesten als oorzaak), te breedSplitsen in: wat zijn de oorzaken van te weinig studiepunten, en hoe reageren studenten daarop?

Hoofdvragen en deelvragen

Een onderzoek heeft vaak meerdere vragen: een of meer hoofdvragen met deelvragen. Bij verklarend onderzoek is dat bijna altijd nodig, omdat je een verschijnsel pas kunt verklaren als je weet hoe de zaak ervoor staat. Een verklarende vraag ("wat zijn de oorzaken van verzuim?") moet dus vooraf worden gegaan door een beschrijvende ("hoe hoog is het verzuim?"). Voorbeeld van Vennix:

  • Hoofdvraag 1: Hoe hoog is het ziekteverzuim in organisatie X? Deelvragen: wijken afdelingen af? Wijken functiecategorieën af?
  • Hoofdvraag 2: Wat zijn de belangrijkste oorzaken? Deelvragen: welke persoonsgebonden oorzaken? Welke organisatiegebonden oorzaken?

Soorten vraagstellingen

IndelingSoortenVoorbeeld
Soort kennisBeschrijvend (inclusief exploratief): hoe ziet een situatie eruit?Hoe tevreden zijn bewoners van wijk Y over hun leefomgeving?
Verklarend: waarom is iets zo, wat zijn de oorzaken?Waarom halen vrouwen in het hoger onderwijs betere resultaten dan mannen?
Toetsend: klopt een veronderstelling (hypothese)?Houden mannen zich beter aan de verkeersregels dan vrouwen?
Toestand of ontwikkelingStatisch (momentopname) of dynamisch (ontwikkeling in de tijd)Hoe verliep het verzuim de afgelopen vijf jaar? (dynamisch)
TijdsaspectVerleden (retrospectief), heden, toekomst (prospectief)Hoe ontwikkelt de woningmarkt zich de komende twintig jaar? (prospectief)

Exploratief onderzoek is verkennend: de onderzoeker weet vooraf niet precies welke factoren een rol spelen ("welke factoren spelen een rol bij tevredenheid?"). Wees voorzichtig met dat label: het komt zelden voor dat een onderzoeker helemaal geen idee heeft of dat er niets in de literatuur te vinden is. Zo'n vraag heeft vaak ook een verklarend element en kan dan scherper: wat zijn de oorzaken van hoge of lage tevredenheid?

Dynamische vragen leiden tot longitudinaal onderzoek, met gegevens op meerdere momenten. Daartegenover staat cross-sectioneel onderzoek: een momentopname of doorsnede, typisch voor een survey. Prospectief onderzoek gebruikt vaak speciale ontwerpen zoals trendextrapolatie, simulatie of scenario's. De indelingen kunnen in één vraag samen voorkomen.

Doel- en vraagstelling in je onderzoeksplan

In opdracht 5 controleer je je voorlopige doelstelling aan de eisen van paragraaf 5.2 en bepaal je welk soort vraag je hebt. Dan kies je de aanvliegroute (theorie of praktijk) en maak je een conceptueel model (zie het volgende hoofdstuk). Een voorbeeld binnen dit vak: Doelstelling: inzicht krijgen in de factoren die bepalen of MKB-ondernemers in de kledingsector circulaire praktijken invoeren, om bij te dragen aan de literatuur over barrières voor duurzaam ondernemerschap. Vraag: welke factoren op individueel, organisatie- en contextniveau beïnvloeden de invoering van circulaire praktijken door MKB-ondernemers in de kledingsector? Dat is een verklarende, statische vraag die bij kwalitatief onderzoek past.

Voor het tentamen
  • Ken de fasen van de empirische onderzoekscyclus en weet dat literatuurstudie, probleemstelling en conceptueel model iteratief op elkaar inwerken.
  • Ken de vier doelen van een literatuurstudie en het verschil tussen een SLR en empirisch onderzoek.
  • Ken de drie eisen aan een doelstelling (geen vraag, specifiek over de kennis, aansluiten op handelingsprobleem) en het verzuimvoorbeeld.
  • Ken de drie eisen van Verschuren aan een vraagstelling, inclusief het verschil tussen een kennisvraag en een handelingsvraag.
  • Herken beschrijvende, verklarende en toetsende vragen, statisch versus dynamisch, retrospectief versus prospectief, longitudinaal versus cross-sectioneel.
  • Onderscheid theoriegericht en praktijkgericht onderzoek.

Andere hoofdstukken van Duurzaam Ondernemerschap

Test jezelf met oefenvragen